De rechter en het voorwerp van de vordering
De rechter mag het voorwerp van de vordering niet wijzigen door iets meer of iets anders toe te kennen dan gevorderd. Dit verbod vormt een gevestigde regel van de burgerlijke procedure. Tot een tiental jaar geleden besteedde de rechtsleer in beperkte mate aandacht aan dit verbod. Enkele ontwikkelingen in de rechtspraak van het Hof van Cassatie nopen evenwel tot een grondige studie.
Dit proefschrift voert een onderzoek naar de aangewezen bewegingsruimte van de rechter ten aanzien van het voorwerp van de vordering. Geïnspireerd door de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie wordt deze vraag benaderd vanuit drie deelonderwerpen.
Het eerste deelonderwerp heeft betrekking op de feitelijke invulling van het voorwerp van de vordering. Het voorwerp is bij dergelijke invulling het feitelijke resultaat dat de eiser met zijn vordering beoogt. De door de eiser aangevoerde juridische omschrijving maakt – anders dan bij een juridische invulling van het voorwerp – geen deel uit van het voorwerp. Het onderzoek wijst uit dat de evolutie van een juridische naar een feitelijke invulling van het voorwerp een gunstige ontwikkeling is. Ook wordt de draagwijdte van een feitelijke invulling van het voorwerp gepreciseerd en wordt de op de rechter rustende herkwalificatieplicht verfijnd.
Het tweede deelonderwerp behandelt de zogenaamde suggestiebevoegdheid. Deze bevoegdheid laat de rechter toe om een partij te suggereren een vordering in te stellen of het voorwerp van haar vordering aan te passen. De suggestiebevoegdheid wordt geëvalueerd. Getoetst aan enkele fundamentele beginselen van het burgerlijk procesrecht wordt een principieel suggestieverbod verdedigd, met uitzondering voor twee situaties waarin een afwijking verantwoord is.
Het derde deelonderwerp onderzoekt de impact van de openbare orde op het verbod voor de rechter om het voorwerp van de vordering te wijzigen. De vraag rijst of dit verbod ook geldt in zaken die de openbare orde raken. Het onderzoek toont aan dat een beslissing waarbij de rechter – in het algemeen belang – niet-gevorderde zaken toekent strijdt met de beginselen van het burgerlijk procesrecht en met de onderscheiden institutionele opdrachten van de rechter en het openbaar ministerie.
Dr. Elise Dauw behaalde haar Master in de rechten in 2019. Vervolgens was ze zes jaar verbonden als assistente aan het Instituut voor Procesrecht van de Universiteit Gent. In 2021 behaalde ze haar Master in het notariaat. Ze publiceert in het domein van het burgerlijk procesrecht en is co-auteur van een handboek burgerlijk procesrecht. Sinds september 2022 doceert ze burgerlijk procesrecht aan de hogeschool Vives te Brugge. Op 24 september 2025 behaalde ze met haar proefschrift De rechter en het voorwerp van de vordering de graad van doctor in de rechten aan de Universiteit Gent. Na het behalen van haar doctoraat blijft ze verbonden aan het Instituut voor Procesrecht (UGent) als vrijwillig postdoctoraal medewerker. Ze is thans notarieel jurist bij een notariskantoor te Brugge.
Elektronische versie beschikbaar op :
- Strada lex België
Heeft u een abonnement? Activeer kosteloos de digitale versie dankzij de code in het boek.
| Producttype | Boek |
|---|---|
| Formaat | Hardback |
| EAN / ISSN | 9789400020122 |
| Beschikbaarheid | Te verschijnen |
| Aantal pagina's | 482 blz. |
| Toegang tot oefeningen | Nee |
| Uitgever | Intersentia |
| Taal | Nederlands |
| Publicatiedatum | 16 feb. 2026 |
| Beschikbaar op Strada Belgique | Ja |
| Beschikbaar op Strada Europe | Nee |
| Beschikbaar op Strada Luxembourg | Nee |