Liquidatiereserve in België: Complete Gids voor Fiscale Optimalisatie bij KMO's

Geschreven door : Anne Mieke Vandekerkhove

Gepubliceerd : 06/02/2025

Ontdek hoe de liquidatiereserve werkt en hoe kmo’s hiermee de belasting op uitgekeerde dividenden kunnen verlagen. Leer welke voorwaarden en fiscale voordelen eraan verbonden zijn, welke nieuwe regels sinds de zomer van 2025 gelden, welke wijzigingen nog verwacht worden, en wat de verschillen en samenhang met de VVPRbis-regeling zijn.

Hoe werkt de liquidatiereserve in België?

De liquidatiereserve biedt kmo’s een interessante fiscale techniek om dividenden uit te keren aan natuurlijke personen-aandeelhouders tegen een verlaagde belastingdruk. Waar normaal een standaardtarief van 30% roerende voorheffing geldt, kan dit tarief via de liquidatiereserve aanzienlijk worden verminderd — behalve bij een snelle uitkering. De effectieve belastingdruk hangt af van het moment en de omstandigheden van de uitkering.

Wanneer een vennootschap beslist om een liquidatiereserve aan te leggen, betaalt zij in het boekjaar waarin de winst wordt gerealiseerd anticipatief 10% vennootschapsbelasting. In ruil daarvoor krijgen deze winsten het statuut van liquidatiereserve, wat bij latere uitkering belangrijke fiscale voordelen oplevert:

  • Bij liquidatie: geen bijkomende roerende voorheffing verschuldigd;
  • Bij uitkering na de wettelijke wachtperiode (3 of 5 jaar): een verlaagd tarief roerende voorheffing (zie punt 2).

Hoe kunnen de liquidatiereserves fiscaal voordelig worden uitgekeerd, wat met de oude versus nieuwe regels sinds de update van zomer van 2025, en welke wijzigingen worden nog verwacht?

Verkorte sperperiode & stijging tarief roerende voorheffing

Sinds de zomer van 2025 gelden nieuwe fiscale regels voor de liquidatiereserve. Het tarief roerende voorheffing dat verschuldigd is bij de uitkering van liquidatiereserves na de sperperiode, werd verhoogd van 5% naar 6,5%. Daartegenover staat dat de sperperiode zelf werd verkort van 5 jaar naar 3 jaar, wat kmo’s sneller toegang geeft tot hun opgebouwde reserves.

Belangrijke wijziging: schrapping van het 20%-tarief

Het vroegere verlaagde tarief van 20% roerende voorheffing bij uitkeringen binnen de sperperiode werd afgeschaft. Daardoor geldt voortaan het standaardtarief van 30% roerende voorheffing voor liquidatiereserves die binnen de nieuwe sperperiode van 3 jaar worden uitgekeerd.

Let op: dit standaardtarief komt bovenop de reeds betaalde 10% anticipatieve vennootschapsbelasting bij de aanleg van de liquidatiereserve. Dit leidt dus tot een hogere totale belastingdruk dan wanneer geen liquidatiereserve werd aangelegd!

Toepassing van de nieuwe regeling

De nieuwe tarieven en termijnen gelden voor liquidatiereserves aangelegd vanaf 31 december 2025.

Goed nieuws is dat het gunsttarief van 6,5% na 3 jaar ook kan worden toegepast op liquidatiereserves die vóór die datum werden aangelegd. Deze oudere reserves profiteren dus van de kortere sperperiode zonder getroffen te worden door het hogere tarief.

Schematisch

Liquidatiereserves aangelegd uiterlijk 31/12/2025 Liquidatiereserves aangelegd na 31/12/2025
Uitkering binnen sperperiode van 3 jaar 20%
Uitkering binnen sperperiode van 3 jaar 30%
Uitkering na 3 jaar, maar vóór verstrijken oorspronkelijke sperperiode 5 jaar 6,5%
Uitkering na 3 jaar, maar vóór verstrijken oorspronkelijke sperperiode 5 jaar 6,5%
Uitkering na sperperiode 5 jaar 5%
Uitkering na sperperiode 5 jaar 6,5%

Effectieve belastingdruk bij liquidatiereserve (15%)

Met deze nieuwe fiscale regels wil de wetgever de voordelen van de liquidatiereserve beter afstemmen op de VVPRbis-regeling. Beide regelingen zorgen nu voor een effectieve belastingdruk van 15% bij dividenduitkering na een sperperiode van drie jaar. De totale belastingdruk van 15% bij een liquidatiereserve kan hierbij als volgt worden gereconstrueerd:

Bruto uitkeerbaar bedrag 110
10% vennootschapsbelasting op liquidatie-reserve 10
Netto liquidatiereserve 100
Roerende voorheffing (6,5%) 6,5
Netto dividend (na rv) 93,5
Belastingdruk 15% (= 16,5 / 110)

Tariefstijging op til

In het begrotingsakkoord van november 2025 werd beslist dat de belastingdruk op zowel liquidatiereserves (uitgekeerd na de wachttijd van drie jaar) als VVPRbis-dividenden zal worden verhoogd tot 18%. Voor liquidatiereserves gebeurt dit via een stijging van de roerende voorheffing bij uitkering naar 9,8%. Dit hogere tarief zou echter niet gelden voor reeds opgebouwde reserves. De precieze uitwerking van deze nieuwe regel moet evenwel nog verder worden uitgewerkt.

Effectieve belastingdruk bij liquidatiereserve (18%)

Bruto uitkeerbaar bedrag 110
10% vennootschapsbelasting op liquidatie-reserve 10
Netto liquidatiereserve 100
Roerende voorheffing (9,8%) 9,8
Netto dividend (na rv) 90,2
Belastingdruk 18% (= 19,8 / 110)

Hoe kunnen de liquidatiereserves fiscaal voordelig worden uitgekeerd, wat met de oude versus nieuwe regels sinds de update van zomer van 2025, en welke wijzigingen worden nog verwacht?

Verkorte sperperiode & stijging tarief roerende voorheffing

Sinds de zomer van 2025 gelden nieuwe fiscale regels voor de liquidatiereserve. Het tarief roerende voorheffing dat verschuldigd is bij de uitkering van liquidatiereserves na de sperperiode, werd verhoogd van 5% naar 6,5%. Daartegenover staat dat de sperperiode zelf werd verkort van 5 jaar naar 3 jaar, wat kmo’s sneller toegang geeft tot hun opgebouwde reserves.

Belangrijke wijziging: schrapping van het 20%-tarief

Het vroegere verlaagde tarief van 20% roerende voorheffing bij uitkeringen binnen de sperperiode werd afgeschaft. Daardoor geldt voortaan het standaardtarief van 30% roerende voorheffing voor liquidatiereserves die binnen de nieuwe sperperiode van 3 jaar worden uitgekeerd.

Let op: dit standaardtarief komt bovenop de reeds betaalde 10% anticipatieve vennootschapsbelasting bij de aanleg van de liquidatiereserve. Dit leidt dus tot een hogere totale belastingdruk dan wanneer geen liquidatiereserve werd aangelegd!

Toepassing van de nieuwe regeling

De nieuwe tarieven en termijnen gelden voor liquidatiereserves aangelegd vanaf 31 december 2025.

Goed nieuws is dat het gunsttarief van 6,5% na 3 jaar ook kan worden toegepast op liquidatiereserves die vóór die datum werden aangelegd. Deze oudere reserves profiteren dus van de kortere sperperiode zonder getroffen te worden door het hogere tarief.

Schematisch

Liquidatiereserves aangelegd uiterlijk 31/12/2025 Liquidatiereserves aangelegd na 31/12/2025
Uitkering binnen sperperiode van 3 jaar 20%
Uitkering binnen sperperiode van 3 jaar 30%
Uitkering na 3 jaar, maar vóór verstrijken oorspronkelijke sperperiode 5 jaar 6,5%
Uitkering na 3 jaar, maar vóór verstrijken oorspronkelijke sperperiode 5 jaar 6,5%
Uitkering na sperperiode 5 jaar 5%
Uitkering na sperperiode 5 jaar 6,5%

Reconstructie van de totale belastingdruk (15%)

Met deze nieuwe fiscale regels wil de wetgever de voordelen van de liquidatiereserve beter afstemmen op de VVPRbis-regeling. Beide regelingen zorgen nu voor een effectieve belastingdruk van 15% bij dividenduitkering na een sperperiode van drie jaar. De totale belastingdruk van 15% bij een liquidatiereserve kan hierbij als volgt worden gereconstrueerd:

Bruto uitkeerbaar bedrag 110
10% vennootschapsbelasting op liquidatie-reserve 10
Netto liquidatiereserve 100
Roerende voorheffing (6,5%) 6,5
Netto dividend (na rv) 93,5
Belastingdruk 15% (= 16,5 / 110)

Tariefstijging op til

In het begrotingsakkoord van november 2025 werd beslist dat de belastingdruk op zowel liquidatiereserves (uitgekeerd na de wachttijd van drie jaar) als VVPRbis-dividenden zal worden verhoogd tot 18%. Voor liquidatiereserves gebeurt dit via een stijging van de roerende voorheffing bij uitkering naar 9,8%. Dit hogere tarief zou echter niet gelden voor reeds opgebouwde reserves. De precieze uitwerking van deze nieuwe regel moet evenwel nog verder worden uitgewerkt.

Reconstructie van de totale belastingdruk (18%)

Bruto uitkeerbaar bedrag 110
10% vennootschapsbelasting op liquidatie-reserve 10
Netto liquidatiereserve 100
Roerende voorheffing (9,8%) 9,8
Netto dividend (na rv) 90,2
Belastingdruk 18% (= 19,8 / 110)

Aan welke voorwaarden moet een vennootschap voldoen om liquidatiereserves te kunnen aanleggen?

Niet elke onderneming komt in aanmerking om een liquidatiereserve aan te leggen. Enkel kleine vennootschappen zoals gedefinieerd in artikel 1:24 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) kunnen gebruikmaken van deze fiscale gunstmaatregel.

Criteria om als kleine vennootschap te worden beschouwd

Of een vennootschap als klein wordt beschouwd, wordt bepaald op basis van de balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar, op grond van de volgende drie criteria:

  1. Is het jaargemiddelde personeelsbestand kleiner dan 50 werknemers?
  2. Is de jaaromzet (exclusief btw) lager dan € 11.250.000?
  3. Is het balanstotaal lager dan € 6.000.000?

Wanneer maximaal één van deze drempels wordt overschreden, kwalificeert de onderneming in principe als een kleine vennootschap.

Beoordeling over meerdere boekjaren

De wetgever kijkt niet enkel naar het laatste boekjaar, maar ook naar het boekjaar dat eraan voorafgaat.

Een vennootschap kan het statuut van kleine vennootschap enkel verwerven wanneer zij gedurende twee opeenvolgende boekjaren maximaal één criterium overschrijdt. Omgekeerd verliest zij dit statuut pas wanneer zij gedurende twee opeenvolgende boekjaren meer dan één criterium overschrijdt.

Beoordeling op geconsolideerde basis

Wanneer de vennootschap verbonden is met andere vennootschappen, moeten de criteria voor omzet en balanstotaal worden geëvalueerd op geconsolideerde basis. Dit betekent dat de financiële gegevens van de verschillende vennootschappen samen worden beoordeeld om te bepalen of de onderneming nog als kleine vennootschap in de zin van het WVV kan worden beschouwd.

Wanneer de geconsolideerde cijfers niet worden opgesteld volgens de officiële consolidatieregels (dus zonder eliminatie van onderlinge verrichtingen, vorderingen en schulden), moet een alternatieve berekening worden gemaakt. In dat geval worden de som van de omzetten en de som van de balanstotalen vergeleken met verhoogde grensbedragen:

  • Omzetgrens: € 13.500.000 (in plaats van € 11.250.000)
  • Balanstotaalgrens: € 7.200.000 (in plaats van € 6.000.000)

Zo kan worden nagegaan of de verbonden vennootschappen samen nog binnen de definitie van een kleine vennootschap vallen en dus in aanmerking komen voor het aanleggen van een liquidatiereserve.

Wat als het statuut van kleine vennootschap verloren gaat?

Wanneer een onderneming haar statuut van kleine vennootschap verliest, heeft dit geen impact op de liquidatiereserves die in het verleden werden aangelegd toen zij nog als klein werd beschouwd.

Het is dus perfect mogelijk dat een middelgrote of grote vennootschap vandaag nog steeds beschikt over liquidatiereserves die werden opgebouwd in de periode dat zij wél als kleine vennootschap kwalificeerde.

Welke stappen moeten gezet worden om liquidatiereserves aan te leggen?

Wanneer een kmo beslist om een liquidatiereserve aan te leggen, wordt dit bedrag bij de jaarafsluiting geboekt op een afzonderlijke passiefrekening van de balans. Deze beslissing heeft fiscale gevolgen: er is namelijk 10% vennootschapsbelasting verschuldigd in het boekjaar waarin de liquidatiereserve wordt aangelegd.

Voorbeeldberekening

Stel dat een kmo € 110.000 winst na belasting kan bestemmen en beslist om dit volledig te reserveren onder de vorm van liquidatiereserves. In dat geval kan zij € 100.000 reserveren (€ 110.000 / 1,1), terwijl er € 10.000 bijkomende vennootschapsbelasting verschuldigd is (€ 100.000 x 10%).

Keuze om liquidatiereserves aan te leggen = definitief

Eens de beslissing om liquidatiereserves aan te leggen deel uitmaakt van de goedgekeurde jaarrekening, is ze bindend en onomkeerbaar. De rechtspraak bevestigt dat de aanleg van liquidatiereserves een bestuursbeslissing vormt waarop niet kan worden teruggekomen (Gent, 11 juni 2024, rolnr. 2023/AR/321), ook niet wanneer blijkt dat deze keuze fiscaal nadelig is.

Risico's bij de liquidatiereserve

Hoewel de liquidatiereserve vaak aanzienlijke fiscale voordelen biedt, zijn er situaties waarin de maatregel minder interessant of zelfs nadelig kan uitvallen. In bepaalde gevallen kan de aanleg van liquidatiereserves immers leiden tot een hogere belastingdruk.

Hieronder enkele veelvoorkomende situaties waarin voorzichtigheid geboden is:

  • Uitkering binnen de sperperiode
    • Wanneer een vennootschap haar liquidatiereserves binnen de sperperiode uitkeert, vermindert of verdwijnt het fiscale voordeel.
    • Voor liquidatiereserves aangelegd na 31 december 2025 geldt dat een roerende voorheffing van 30% verschuldigd is, bovenop de eerder betaalde 10% vennootschapsbelasting. Het resultaat is een hogere fiscale kost dan wanneer geen liquidatiereserve was aangelegd.
    • Voor liquidatiereserves aangelegd op uiterlijk 31 december 2025, is bovenop de 10% vennootschapsbelasting, 20% roerende voorheffing verschuldigd.
  • Overdracht van aandelen aan een andere vennootschap
    • De liquidatiereserve biedt enkel fiscale voordelen voor natuurlijke personen.
    • Wanneer de aandelen van de vennootschap worden overgedragen aan een andere vennootschap, gaan deze voordelen verloren. Voor een vennootschap-aandeelhouder is de roerende voorheffing immers niet bevrijdend.
  • Gebruik van liquidatiereserves om verliezen te compenseren
    • Wanneer een onderneming verliezen lijdt en haar liquidatiereserves gebruikt om deze te compenseren op haar balans, verdwijnen de liquidatiereserves definitief. De eerder betaalde 10% vennootschapsbelasting kan dan niet worden gerecupereerd.
  • Onterechte kwalificatie als kleine vennootschap
    • Sommige ondernemingen leggen liquidatiereserves aan terwijl ze niet voldoen aan de voorwaarden van een kleine vennootschap — bijvoorbeeld omdat consolidatieverplichtingen over het hoofd zijn gezien. In dat geval kan de vennootschap wel bezwaar indienen tegen de aanslag waarin de liquidatiereserves werden aangelegd, om de 10% vennootschapsbelasting terug te vorderen (zie Parl. Vr. nr. 948, Vermeersch, Vr. & Antw. Kamer, 55, nr. 084, pp. 154–155).

Liquidatiereserve versus VVPRbis: welke keuze maken?

Wanneer een vennootschap binnen het toepassingsgebied van de VVPRbis-regeling valt, geniet deze regeling doorgaans de voorkeur boven liquidatiereserves. De aanleg van een liquidatiereserve leidt immers onmiddellijk tot 10% vennootschapsbelasting, vaak jaren vóór de feitelijke uitkering. Bij de VVPRbis-regeling daarentegen is de roerende voorheffing pas bij uitkering verschuldigd. Bovendien begint de 3-jarige wachtperiode voor de toepassing van VVPRbis slechts eenmalig bij de vorming van het VVPRbis-kapitaal, terwijl deze periode voor liquidatiereserves telkens opnieuw start bij de aanleg van nieuwe reserves.

Toch kan de keuze voor liquidatiereserves in specifieke situaties voordelig zijn. Bijvoorbeeld wanneer een vennootschap op korte termijn wordt vereffend. In dat geval kunnen liquidatiereserves vrij van roerende voorheffing worden uitgekeerd, terwijl het verlaagde VVPRbis-tarief enkel geldt voor gewone dividenden en niet voor liquidatieboni.

Ook wanneer het kapitaal van een kleine vennootschap slechts gedeeltelijk uit VVPRbis-kapitaal bestaat, kan de liquidatiereserve een aantrekkelijke optie zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de vennootschap voor 1 juli 2013 werd opgericht of wanneer een deel van het kapitaal een inbreng in natura vertegenwoordigd. In zulke gevallen kunnen dividenden niet volledig tegen het verlaagde VVPRbis-tarief worden uitgekeerd, waardoor liquidatiereserves hoger voordeel kunnen bieden.

Conclusie

De liquidatiereserve biedt een aanzienlijk fiscaal voordeel voor natuurlijke personen-aandeelhouders van kmo-vennootschappen, vooral wanneer de reserves binnen de vennootschap blijven tot de vereffening. Voor gewone dividenduitkeringen blijft de VVPRbis-regeling aantrekkelijk, omdat deze regeling niet gepaard gaat met een anticipatieve heffing. Door een strategische combinatie van liquidatiereserve en VVPRbis kan een vennootschap het maximale fiscale voordeel voor haar aandeelhouders realiseren.

CTA TITLE

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit, sed do eiusmod tempor incididunt ut labore et dolore magna aliqua. Ut enim ad minim veniam, quis nostrud exercitation ullamco laboris nisi ut aliquip ex ea commodo consequat. Duis aute irure dolor in reprehenderit in voluptate velit esse cillum dolore eu fugiat nulla pariatur. Excepteur sint occaecat cupidatat non proident, sunt in culpa qui officia deserunt mollit anim id est laborum.l.

table goes here