Interview

Het faillissementsstrafrecht: een publicatie in het licht van het nieuwe Strafwetboek 

Bij Larcier-Intersentia is in maart 2026 het boek Het faillissementsstrafrecht gepubliceerd, dat een herziene editie is van het bekende werk Het Misdrijf & Faillissement, dat in 2020 verscheen. De materie werd herwerkt in functie van het nieuw Strafwetboek. Hoewel de eigenlijke misdrijfomschrijvingen niet werden gewijzigd, werd een nieuwe systematiek gebruikt bij de indeling van de misdrijven en werden ook wijzigingen aangebracht wat het vereiste opzet betreft. Het werk biedt een praktisch inzicht in de eigenlijke faillissementsmisdrijven, maar gaat ook in op onregelmatigheden, die vaak in de marge van het faillissement gebeuren, zoals het gebruik van stromannen en sterfhuisconstructies, en het bedrieglijk bewerken van het onvermogen.

Larcier-Intersentia interviewde de auteur, dhr. Francis Desterbeck, emeritus-eerste advocaat-generaal bij het hof van beroep te Gent en vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan de Faculteit Rechten van de UHasselt.

Een logische eerste vraag: waarom was het noodzakelijk om uw vroegere werk te herwerken?

Welnu, in het Belgisch Staatsblad van 8 april 2024 verschenen de twee wetten van 29 februari 2024, die een nieuw Boek I en Boek II van het Strafwetboek hebben ingevoerd, en de misdrijven die verband houden met de insolventie van ondernemingen kregen in het nieuwe Strafwetboek een plaats in de artikelen 489 tot 495, in een onderafdeling, die deel uitmaakt van de afdeling ‘Bedrog’, die op haar beurt deel uitmaakt van het eerste hoofdstuk van titel 6, ‘Misdrijven tegen het vermogen’. Deze wetten worden op 1 september 2026 van kracht.

Dit werk behandelt de materie dus vanuit het oogpunt van de nieuwe wetgeving. De materie is de voorbije jaren grondig gewijzigd, want hoewel de kern van de faillissementsmisdrijven grotendeels behouden bleef, hebben de algemene strafrechtelijke hervormingen wel degelijk invloed op de toepassing in de praktijk.
Ik wou daarom een werk aanbieden dat niet alleen de wettekst volgt, maar ook helpt om de huidige stand van rechtspraak en rechtsleer te begrijpen. 

Voor wie schreef u dit boek in de eerste plaats?  

Voor een breed publiek binnen de juridische praktijk: magistraten, curatoren, advocaten, bedrijfsjuristen en iedereen die in aanraking komt met insolventie en strafrecht. De materie is technisch en vaak onderschat, terwijl precies daar veel praktische valkuilen liggen.

Het strafrecht inzake insolventie (‘faillissementsstrafrecht’) is een ‘niche’, waarover recent relatief veel werd gepubliceerd. Niettemin moeten we in de praktijk vaststellen dat de materie relatief onbekend terrein vormt, zowel voor wie vervolgd wordt wegens misdrijven die verband houden met insolventie, als voor faillissementscuratoren, die zich vaak niet bewust zijn van de mogelijkheden die een burgerlijke partijstelling voor de strafrechtsmachten biedt. Dit werk wil deze recente of klassieke publicaties niet vervangen, wel integendeel. Nu de meest belangrijke wetswijzigingen achter de rug zijn, wil dit werk een bevattelijk overzicht geven van de huidige wetgeving, rechtspraak voor zover nog toepasselijk, en rechtsleer.

Ik wil een panoramisch zicht bieden op de totaliteit van de actuele misdrijven die verband houden met de insolventie van ondernemingen en wat daar in de praktijk bij komt kijken.

Wat maakt het faillissementsstrafrecht volgens u zo bijzonder?

Het bijzondere zit in de samenloop van twee werelden: het insolventierecht en het strafrecht. Je moet tegelijk kijken naar de economische realiteit van een onderneming én naar strafrechtelijke aansprakelijkheid, opzet en bewijs. Het faillissementsrecht en het faillissementsstrafrecht behoren immers tot een andere orde.

De betrokken partijen bij het faillissement zelf zijn enerzijds de failliete schuldenaar en anderzijds de massa van de schuldeisers. Bij de vervolging van faillissementsmisdrijven zijn de betrokken partijen uiteraard eveneens de schuldenaar enerzijds, maar het openbaar ministerie als vertegenwoordiger van de maatschappij anderzijds. Het doel van beide is duidelijk verschillend. Het doel van het faillissementsrecht is de bescherming van de belangen van de schuldeisers. In het faillissementsstrafrecht wordt de schuldenaar geconfronteerd met de eisen van de openbare orde. Deze wil dat faillissementen tijdig worden aangegeven, dat vooraf geen goederen worden verduisterd of andere onregelmatigheden gebeuren en dat de curatoren, aangesteld door de rechtbank, hun werk naar behoren kunnen doen.

Toch opvallend: u begint de uiteenzetting met een korte bespreking van de – in de praktijk weinig toegepaste – strafbepalingen in verband met de gerechtelijk reorganisatie van ondernemingen.
Wat is daar de reden voor?

De misdrijven van schending van de procedure van gerechtelijke reorganisatie hebben in het Strafwetboek een plaats gekregen in het hoofdstuk ‘Bedrog’, ná de eigenlijke misdrijven in verband met de insolventie van ondernemingen (‘faillissementsmisdrijven’). Ze zijn vervat in de artikelen 494 en 495 Sw.

Niettemin lopen pogingen om een onderneming van een faillissement te redden door een gerechtelijke reorganisatie soms slecht af en volgt naderhand dan toch een faillissement. Ik heb willen aangeven dat ook in het kader van een gerechtelijke reorganisatie strafbare feiten kunnen worden gepleegd.

Het artikel 494 Sw. straft vooreerst de schending van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een schuldenaar en deze bepalingen willen verhinderen dat misbruik gemaakt wordt van de gerechtelijke reorganisatie door de toestand van de onderneming gunstiger voor te stellen dan ze in werkelijkheid is. Voor de feiten, vermeld in dat artikel, is vereist dat ze gepleegd worden “met het oogmerk de procedure van gerechtelijke reorganisatie te verkrijgen of te vergemakkelijken”. Onachtzaamheid, of zelfs een algemeen opzet bestaande uit het wetens en willens overdrijven van het actief of minimaliseren van het passief, zou hier dus niet volstaan. Omdat die feiten opzettelijk gebeuren met het oog op beïnvloeding van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, wordt het bedrieglijk opzet om de procedure van gerechtelijke reorganisatie te verkrijgen of te vergemakkelijken in aanmerking genomen als moreel bestanddeel. 
Te noteren valt evenwel dat de grote Ivan Verougstraete in zijn klassieker ‘Manuel de la faillite et du concordat’ opmerkt dat het bewijs van dit bijzonder opzet moeilijk te leveren lijkt.

Vervolgens heeft artikel 495 Sw. het over de bedrieglijke schending van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door derden. Met dit artikel wil de wetgever beletten dat een derde door een specifieke overeenkomst voordelen verkrijgt die de goede afloop van de gerechtelijke reorganisatie op de helling zet. De achterliggende gedachte is dat alle afspraken met de schuldenaar transparant moeten zijn. Maar anders dan voor de misdrijven van artikel 494 Sw. is hier het bewijs van bedrieglijk opzet vereist.

U schrijft in uw boek dat u een panoramisch zicht wil bieden op de totaliteit van de actuele misdrijven die verband houden met de insolventie van ondernemingen en wat daar in de praktijk bij komt kijken. Wat behandelt u allemaal?

In een eerste deel belicht ik het onderscheid tussen het begrip ‘faillissement’ op burgerlijk en op strafrechtelijk gebied. Dit onderscheid is essentieel om de saisine van de strafrechter inzake misdrijven in verband met insolventie te bepalen.

In een tweede deel ga ik vervolgens dieper in op de eigenlijke faillissementsmisdrijven, thans vervat in de artikelen 490 en 491 Sw., hetzij de misdrijven die kunnen worden gepleegd door de gefailleerden zelf en hun mededaders. 

Vervolgens besteed ik aandacht aan de misdrijven van artikel 492 Sw., dat enkele misdrijven opsomt die door derden in het belang van de gefailleerde kunnen worden gepleegd, en ik bespreek ook vrij uitgebreid het beroepsverbod. Het huidige, strafrechtelijke beroepsverbod evolueerde van een beveiligingsmaatregel naar een bijkomende straf, die uiteraard grote gevolgen kan hebben voor veroordeelde beklaagden.


In een volgend deel ga ik dieper in op de plaats van het openbaar ministerie in de faillissementsprocedure, waarbij duidelijk zal worden dat de wetgeving inzake gerechtelijke reorganisatie en faillissement herhaaldelijk melding maakt van een mogelijk optreden van de procureur des Konings. Dit biedt mij de gelegenheid nader in te gaan op de verhouding tussen de faillissementscuratoren en de strafrechtsmachten in het algemeen, en de curatoren, het parket en het vonnisgerecht in het bijzonder.

In een laatste deel ga ik ten slotte dieper in op een aantal aspecten van misdrijven, die op zich geen faillissementsmisdrijven uitmaken, maar die er vaak samen in één adem mee vernoemd worden. Het zijn de misdrijven van valsheid in geschriften, misbruik van vennootschapsgoederen en bedrieglijk onvermogen. Vervolging wegens valsheid in geschriften gebeurt niet zelden in geval van frauduleuze sterfhuisconstructies, waar inzonderheid vóór het faillissement stromannen worden aangesteld om de achtermannen voor strafrechtelijke vervolging te behoeden, al dan niet na wegmaking van de meest waardevolle activa. Hierbij rijst uiteraard de vraag wat bij deze constructies toegelaten is of niet en wat de meest voorkomende vormen van strafbare sterfhuisconstructies zijn. Het bij wet van 8 augustus 1997 ingevoerde misdrijf van misbruik van vennootschapsgoederen wordt wel eens gebruikt voor de strafrechtelijke vervolging van feiten, die in de tijd te situeren zijn vóór de periode van faillissement in de strafrechtelijke zin van het woord. Het misdrijf van bedrieglijk onvermogen wordt in dit geval voorzien om bepaalde vormen van wegmaking van activa strafrechtelijk te sanctioneren.

Welke fouten ziet u in de praktijk vaak terugkeren?

Heel klassiek zijn te late aangifte van faillissement, het niet verantwoorden van ontbrekende activa, bevoordeling van één schuldeiser en het gebruik van al te kostelijke middelen om krediet te verkrijgen. Een klassieker in dit verband is het niet betalen van wat men ‘geduldige schuldeisers’ noemt: de fiscus en de sociale zekerheid.

Ook het verdwijnen van boeken of stukken, en constructies met stromannen of fictieve overdrachten blijven terugkerende thema’s.

Waarom blijft de figuur van de stroman zo hardnekkig opduiken?

Omdat ze een schijn van afstand creëren tussen de oude bestuurders en het naderende faillissement. In werkelijkheid blijft de economische en juridische verantwoordelijkheid vaak bij de achterman liggen, terwijl de stroman formeel het bestuur overneemt. 

Het is belangrijk om weten dat strafrechtelijke vervolging achteraf zich niet alleen zal richten tegen de stromannen, maar ook tegen diegenen die de stromannen hebben aangesteld. 

Wat is volgens u het grootste misverstand over faillissementsmisdrijven?

Dat het louter om slecht bestuur of pech zou gaan. Dat klopt niet. Voor strafbaarheid is meestal meer vereist: een opzettelijke gedraging, en vaak ook een bijzonder opzet, zoals het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen of de boedel te benadelen. 

Wat de strafmaat betreft, heeft de wetgever wel enig begrip voor feiten van ‘eenvoudige bankbreuk’, feiten die gepleegd werden in een wanhopige poging de onderneming van het faillissement te redden.

Welke rol speelt de curator in dit verhaal?

Een heel belangrijke. De curator is niet enkel beheerder van de boedel, maar ook iemand die in de praktijk veel signalen kan oppikken over mogelijke misdrijven. Het boek bekijkt daarom uitvoerig zijn plaats tegenover het parket, de rechter-commissaris en zijn mogelijkheden om zich burgerlijke partij te stellen. 

Mijn grote voorbeeld, wijlen Luc Huybrechts, stelde ooit dat de opdracht van de curator weliswaar niet van strafrechtelijke aard is, maar dat zijn functie niettemin de hoeksteen vormt van de strafrechtelijke beteugeling van de misdrijven inzake insolventie.

Wordt die strafrechtelijke dimensie door curatoren soms onderschat?

Soms wel. De curator denkt terecht eerst aan de boedel en de schuldeisers, maar vergeet soms dat een strafdossier ook een nuttig instrument kan zijn om collectieve schade te herstellen. 

Een positief contact tussen de curator en het parket is een absolute win-win. De curator moet ook goed weten wat hij namens de curatele als burgerlijke partij ter terechtzitting kan vorderen en wat niet. Daartegen worden soms fouten begaan, vandaar mijn aandacht voor dat aspect.

Waarom behandelt u ook ontrouw in het beheer door de curator zelf?

Omdat het logisch is dat een boek over faillissementsstrafrecht niet stopt bij de gefailleerde of diens bestuurders. Ook de curator kan strafrechtelijk in beeld komen wanneer hij zijn functie misbruikt of de boedel aanwendt voor eigen voordeel. Dat is gelukkig heel uitzonderlijk, maar gezien het belang van zijn functie is het terecht dat de wetgever optreedt tegen misbruiken.  

Hoe kijkt u naar het beroepsverbod?

Het is een maatregel die tegenwoordig in de praktijk vrij systematisch wordt opgelegd, zowel door de ondernemingsrechtbanken als door de strafrechters. Het is een maatregel om het handelsverkeer te beschermen tegen onbekwame en malafide gefailleerden. Schending van een beroepsverbod wordt dan ook zeer terecht strafbaar gesteld.

Omwille van de ingrijpende gevolgen op het persoonlijk leven van de betrokkenen zelf verdient het beroepsverbod een gedetailleerd uitgewerkte regeling, die wettelijk is vastgelegd. 

Wat hoopt u dat lezers uit dit boek meenemen?

Ik heb tijdens mijn beroepscarrière de instelling van het faillissement en het faillissementsstrafrecht in al zijn aspecten leren kennen. Aan de balie was ik medewerker van een faillissementscurator en leerde ik niet alleen de procedure grondig kennen, maar vooral de ingrijpende gevolgen die een faillissement kan hebben, zowel voor de gefailleerde als voor de schuldeisers. Als parketmagistraat maakte ik kennis met het faillissementsstrafrecht en leerde ik, als hoeder van het algemeen belang, het onderscheid maken tussen de sukkelaars, die pech hebben gehad, en de leperds, die ten koste van de schuldeisers het eigen belang op een onrechtmatige manier wilden veiligstellen en daar soms nog in slaagden ook. Hoewel faillissementen een spijtige realiteit van elke dag zijn, moet strafrechtelijke vervolging eerder uitzonderlijk blijven en beperkt blijven tot de echte misbruiken.

Het is die ervaring die mij ertoe aangezet heeft het boek te schrijven. Het is geen dik boek, maar een praktische samenvatting van de ervaringen die ik in mijn beroepspraktijk heb mogen opdoen.

Het faillissementsstrafrecht is geen randmaterie, maar een essentieel onderdeel van de bescherming van schuldeisers en van de integriteit van het ondernemingsverkeer. Ik hoop vooral dat lezers de samenhang zien tussen de juridische begrippen, de feiten op het terrein en de bewijsvoering in strafzaken. En dat het boek hen helpt om sneller te herkennen wanneer een insolventiedossier ook een strafrechtelijke dimensie heeft. 

Over het boek

Het faillissementsstrafrecht

Francis Desterbeck

Maart 2026
ISBN 9789400020559


Onze klanten raadpleegden ook:

Ondernemingsrecht | Juli 2025

Alles over het auteursrecht, of toch bijna alles … in één werk! - Deel 2 | Kurt Van Damme

Larcier-Intersentia sprak met de auteur dr. Kurt Van Damme naar aanleiding van de publicatie van zijn boek. In het tweede deel gaan we in op de formaliteiten om een werk auteursrechtelijk te beschermen alsook het onderscheid tussen vermogensrechten en morele rechten. Lees meer.

Ondernemingsrecht | Juni 2025

Alles over het auteursrecht, of toch bijna alles … in één werk! - Deel 1 | Kurt Van Damme

Larcier-Intersentia sprak met de auteur dr. Kurt Van Damme naar aanleiding van de publicatie van zijn boek. In deel 1 van dit interview spraken we over het onderscheid tussen intellectueel eigendomsrecht en de andere intellectuele rechten alsook het auteursrecht in een digitale wereld. Lees meer.

Volg ons:     

              

Ons gratis tijdschrift:

· Emile & Ferdinand

Blijf op de hoogte met onze nieuwsbrieven!