| Interview |


Mediarecht - Een nieuw toegankelijk handboek voor de praktijkjurist
Larcier-Intersentia interviewde de auteurs Elke Cloots en Stefan Sottiaux ter gelegenheid van de publicatie van het boek ‘Mediarecht’.
Er zijn weinig rechtsdomeinen waarin de impact van de technologische evoluties zich zo direct laat voelen als in het mediarecht. Tegen de achtergrond van dit snel evoluerende landschap, wil dit boek een zo volledig mogelijk overzicht bieden van het geldende mediarecht. Er wordt onder meer stilgestaan bij de bronnen en grondslagen van de vrijheid van meningsuiting en de mediavrijheid. Verschillende uitingscategorieën worden in detail belicht, waaronder haatspraak, godslastering, negationisme, nepnieuws en desinformatie, laster en eerroof, aantasting van de privacy, aantasting van de goede zeden en gerechtsverslaggeving. Daarnaast biedt het boek een overzicht van de Vlaamse en Europese mediaregulering. Nieuwe instrumenten, zoals de Europese Digitaledienstenverordening en de Verordening Mediavrijheid, komen uitgebreid aan bod. Tot slot wordt stilgestaan bij regels inzake media en vrije mededinging.
Dit boek is in de eerste plaats opgevat als een inleidende cursus voor al wie zich aan de universiteit of de hogeschool in het mediarecht wil verdiepen. Daarnaast richt het boek zich ook op de praktijkjurist die op zoek is naar een toegankelijk handboek.
In jullie boek zijn er twee duidelijk verschillende delen, enerzijds deel 1 ’Vrijheid van meningsuiting’ en anderzijds deel 2 ‘Regulering van de media’. Kunnen jullie vooreerst deel 1 wat meer toelichten?
Het eerste deel van dit boek is volledig gewijd aan de vrijheid van meningsuiting, waarbij we in het eerste hoofdstuk starten met een overzicht van de juridische bronnen en de historische en filosofische grondslagen van dit grondrecht.
Het recht op vrije meningsuiting is een fundamenteel mensenrecht dat zijn oorsprong vindt in artikel 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948. Dit recht is nadien verankerd in verschillende internationale verdragen, zoals artikel 10 EVRM in 1950, artikel 11 van het EU Handvest (2000) en artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten van 1966.
De wortels van deze vrijheid liggen echter in nationale grondrechtenverklaringen uit de 18de eeuw, zoals de Virginia Declaration of Rights van 1776, de Franse Déclaration des droits de l’homme et du citoyen van 1789 en de Amerikaanse Bill of Rights van 1791, gevolgd door onder meer de Belgische Grondwet van 1831, die in de artikelen 19, 25 en 150 het recht op vrije meningsuiting waarborgt.
In België steunt dit recht op de Grondwet, het EVRM en het EU Handvest, aangevuld met specifieke wetten, bijvoorbeeld de wet van 30 december 1963 over de titel van beroepsjournalist en de wet van 7 april 2005 inzake bescherming van journalistieke bronnen.
Vervolgens bespreken we het toepassingsgebied en de beperkingen van de vrije meningsuiting in het tweede hoofdstuk. Want uiteraard is er de vraag hoe we kunnen weten of we in een bepaald geval de bescherming van de vrijheid van meningsuiting kunnen inroepen. Om die vraag te beantwoorden, was het nodig twee zaken te onderzoeken. Om te beginnen moesten we het toepassingsgebied van de uitingsvrijheid afbakenen. Is wat we zeggen of doen wel een ‘meningsuiting’ in de juridische betekenis van het woord? Is bijvoorbeeld het verspreiden van privéfoto’s van bekende personen, porno of deepfakes het ‘uiten’ van een ‘mening’? Zelfs als het antwoord op die vraag positief is, brengt dat nog niet automatisch met zich mee dat we die ‘meningen’ ook vrij moeten kunnen uiten. De vrijheid van meningsuiting is immers niet absoluut: de overheid kan het recht beperken om andere rechten of maatschappelijke belangen veilig te stellen. Zo moet de expressievrijheid van de ene soms wijken voor de privacy van de ander. Dit alles komt in dit tweede hoofdstuk aan bod.
In het derde hoofdstuk staan we stil bij de pers- of mediavrijheid en de bijzondere garanties die gelden voor journalisten. Er wordt inderdaad een apart hoofdstuk gewijd aan pers- en mediavrijheid, omdat wetgeving en rechtspraak daarvoor extra garanties bieden, zoals bronbescherming en het recht op nieuwsgaring. In een eerste afdeling wordt onderzocht wat precies onder pers- of mediavrijheid wordt verstaan en wat de grondslagen ervan zijn en hoe deze vrijheid zich verhoudt tot de algemene vrijheid van meningsuiting. Twee kernvragen staan hierbij centraal: heeft de pers of de media een bijzondere, geprivilegieerde bescherming die gewone burgers niet hebben en geldt deze bescherming enkel voor beroepsjournalisten, of ook voor burgerjournalisten buiten de traditionele media?
Daarnaast wordt ook ingegaan op de finaliteit van persvrijheid. De verdere opbouw omvat een analyse van de relatie tussen meningsuiting en persvrijheid, het juridisch kader binnen de Raad van Europa, de EU en België en het principe van mediapluralisme. Daarna volgen meer gedetailleerde bespreking van specifieke waarborgen voor de pers.
Het laatste en vierde hoofdstuk gaat in detail in op de belangrijkste uitingscategorieën: haatspraak, negationisme, godslastering, desinformatie, laster en eerroof, aantasting van de privacy en gerechtsverslaggeving.
Deel 2 gaat over regulering van de media, waarbij jullie ook stilstaan bij het aspect ‘zelfregulering’. Het gemeen recht is uiteraard van toepassing, maar toch zijn er bijkomend specifieke regels voor sommige media. Wat zijn hier de beweegredenen voor?
Het tweede deel gaat inderdaad over regulering van de media. Op alle media zijn het gemeen burgerlijk recht en strafrecht van toepassing, maar voor sommige media gelden toch bijkomend een aantal specifieke regels.
Met name de audiovisuele media (radio en televisie) zijn onderworpen aan tal van bijzondere, door de overheid opgelegde beperkingen, die niet gelden voor de geschreven pers. Zo is er een voorafgaande kennisgeving aan de Vlaamse mediaregulator, of zelfs een erkenning door de Vlaamse Regering, nodig om bepaalde omroepdiensten te mogen aanbieden. Voor kranten of magazines geldt zo’n aanmeldingsplicht, laat staan een erkenningsvoorwaarde, niet. Bovendien zijn er allerlei regels die grenzen stellen aan de inhoud die op radio en tv mag worden uitgezonden. Zo moeten informatieve programma’s onpartijdig zijn, terwijl kranten en magazines een welbepaalde politieke kleur of strekking mogen hebben. Ook zijn er tal van regels die jonge kijkers en luisteraars moeten beschermen tegen schadelijke programma’s en commerciële communicatie.
Alvorens dieper in de betrokken regelgeving te duiken, vonden we het van belang een stap terug te zetten en ons af te vragen waarom audiovisuele media zoveel sterker gereguleerd zijn dan de geschreven pers.
Is er een goede reden waarom de overheid de geschreven en audiovisuele media verschillend behandelt? Wat zijn de argumenten om omroepactiviteiten sterker aan banden te leggen dan kranten, magazines of boeken? En moet de overheid ook het internet niet meer reguleren?
In een tweede hoofdstuk verschuiven we onze aandacht naar zelfregulering. Deze vorm van regulering, die uitgaat van en wordt gehandhaafd door de sector zelf, is vooral van belang in die domeinen waar de overheid niet of slechts beperkt regulerend optreedt, namelijk de geschreven pers en het internet.
In het kader van die ‘zelfregulering’ besteden jullie uiteraard uitvoerig aandacht aan de in 2002 opgerichte Raad voor de Journalistiek, die ook in 2010 de Code van de Raad voor de Journalistiek heeft aangenomen. Wat is het oogmerk van deze Raad?
Na stilgestaan te hebben bij de historiek gaan we inderdaad gedetailleerd in op die in 2002 opgerichte Raad voor de Journalistiek, een onafhankelijke instantie voor journalistieke zelfregulering die vragen en klachten over journalistieke beroepsethiek behandelt. De Raad bestaat uit twaalf journalisten, twaalf afgevaardigden van de mediabedrijven en twaalf vertegenwoordigers uit publiek en samenleving, in de regel academici, magistraten of advocaten, doch – eigenaardig genoeg – ook woordvoerders.
Deze Raad voor de Journalistiek heeft in 2010 de Code van de Raad voor de Journalistiek aangenomen, die nu onderschreven is door de Vlaamse journalisten en de mediabedrijven in de brede zin, en in Vlaanderen een quasi-universele gelding geniet als referentiepunt voor journalistieke deontologie in de sector. De Code wordt regelmatig aangepast, zo nog in 2023 in verband met artificiële intelligentie en bij veel bepalingen van de Code publiceert de Raad voor de Journalistiek op zijn website Richtlijnen die specificaties bevatten.
Hét basisprincipe is dat journalisten in hun activiteit de mensenrechten moeten respecteren. Dat is natuurlijk een heel algemene bepaling, doch dit basisprincipe wordt verduidelijkt in de vier basisbeginselen van journalistieke deontologie. Deze zijn dat (i) journalisten waarheidsgetrouw berichten, (ii) onafhankelijk nieuws inzamelen en erover informeren, (iii) fair optreden in hun journalistieke activiteit en (iv) respect betonen voor het privéleven en de menselijke waardigheid. In het boek schetsen we die vier basisbeginselen en illustreren we deze aan de hand van een capita selecta van uitspraken van de Raad. Sommige van deze beginselen komen trouwens ook elders in het boek aan bod.
Wat concreet de gevolgen van klachten bij de Raad voor de Journalistiek betreft: de Raad voor de Journalistiek kan klachten over inbreuken op de Code gegrond of ongegrond verklaren. Niet meer of niet minder. Ongeacht het resultaat, hebben de media zich ertoe verbonden om een beslissing van de Raad voor de Journalistiek die hen betreft, of een samenvatting ervan te publiceren. De Raad voor de Journalistiek publiceert zelf al zijn beslissingen en publiceert er een jaarverslag over. Op hun verzoek kunnen de namen van klagende partijen bij publicatie worden weggelaten. De Raad voor de Journalistiek vermeldt op zijn website dat hij met zijn uitspraken een opinie geeft en geen sancties of schadevergoeding toekent. Deze uitspraken zijn, aldus de Raad voor de Journalistiek een gezaghebbend oordeel over de journalistieke handelwijze waarover klacht werd ingediend. Het oogmerk van zijn activiteit is, naar eigen zeggen, om de discussie over de journalistieke ethiek binnen het beroep te stimuleren en het publiek vertrouwen te geven in de geloofwaardigheid van de media.
En dan is er natuurlijk ook de Jury voor ethische praktijken inzake reclame (JEP). Wat is de functie van die Jury?
Naast de regulering van overheidswege zijn commerciële boodschappen in veel landen ook het voorwerp van zelfregulering door de reclamesector. In ons land wordt deze zelfregulering vervuld door de Jury voor ethische praktijken inzake reclame (JEP), een zelfregulerend orgaan van de reclamesector dat in 1974 werd opgericht in de schoot van de Raad voor Reclame. De Raad verenigt de verschillende advertentieberoepen, die op hun beurt worden vertegenwoordigd via hun respectieve verenigingen, en heeft tot doel “om door zelfregulering ethische, verantwoorde en betrouwbare reclame te waarborgen”.
Die Jury heeft twee taken. Enerzijds kan zij zich uitspreken over klachten met betrekking tot een reclameboodschap, die zij kan ontvangen van consumenten, consumentenorganisaties of beroepsverenigingen. Anderzijds kunnen adverteerders, reclamebureaus en de media een advies aanvragen met betrekking tot de wettelijke en/of ethische aspecten van de inhoud van een reclameboodschap. De bevoegdheid van de JEP strekt zich uit tot reclame-inhouden die via alle mogelijke media worden verspreid (o.a. radio en televisie, geschreven pers, affichage, folders en brochures en digitale media).
De JEP baseert haar beslissingen en adviezen zowel op de wettelijke bepalingen (bv. het Mediadecreet of Boek VI WER) als op de zelfdisciplinaire codes. Als de JEP oordeelt dat een reclameboodschap niet conform is met de wetgeving of de zelfdisciplinaire codes, deelt zij aan de adverteerder en zo nodig aan de betrokken beroepsfederaties haar beslissing mee dat de betwiste reclame dient te worden gewijzigd of stopgezet. Indien nodig verzoekt zij rechtstreeks de media en/of de betrokken beroepsfederaties om de verspreiding van de betwiste reclame te stoppen. Als de Jury meent dat een reclameboodschap alleen om een voorbehoud vraagt, zal zij geen beslissing tot wijziging of stopzetting formuleren, maar zal zij zich ertoe beperken een advies van voorbehoud mee te delen aan de adverteerder.
Het Reglement bepaalt uitdrukkelijk dat de JEP als zelfdisciplinair orgaan niet de bedoeling heeft om aan censuur te doen of een bepaalde ideologie of smaak te bevorderen en de Jury stelt zich ook niet in de plaats van de hoven en rechtbanken.
Over het boek
Mediarecht
Elke Cloots & Stefan Sottiaux
Maart 2026
ISBN 9789400018709

