Interview

Straf(proces)recht vandaag, morgen en overmorgen: een praktijkgerichte publicatie

Larcier-Intersentia interviewde de editors naar aanleiding van de komende publicatie van het boek Straf(proces)recht vandaag, morgen en overmorgen (51e postuniversitaire cyclus Willy Delva)

De inwerkingtreding van het Nieuw Strafwetboek nadert immers snel: de inwerkingtreding van de meeste bepalingen ervan is voorzien voor 8 april 2026. Het strafrecht en het strafprocesrecht zijn duidelijk in volle beweging: het straf(proces)recht van vandaag ziet er op vele vlakken helemaal anders uit dan dat van enkele jaren geleden. En er staat nog heel wat op stapel. Zo zal de inwerkingtreding van het Nieuw Strafwetboek in 2026 nieuwe kaders en regels brengen die gekend, begrepen en toegepast zullen moeten worden. Ten slotte valt er, vooral in het strafprocesrecht, nog veel te vernieuwen en te veranderen. De kaders van oude en nieuwe regels en soms ook de regels zelf zijn aan een herdenking toe.

De 51ste editie van de postuniversitaire cyclus Willy Delva stond daarom in het teken van het straf(proces)recht van vandaag, morgen en overmorgen. In het voorjaar van 2025 vonden er zes sessies plaats waarin diverse actuele thema’s aan bod kwamen: van Boek 1 en Boek 2 van het Nieuw Strafwetboek tot recente en toekomstige ontwikkelingen in het strafprocesrecht. Ook de rol van minderjarigen als daders van misdrijven, beleidsmatige tendensen en de uitdagingen voor de toekomst werden belicht. De inzichten uit deze sessies zijn gebundeld in dit verslagboek.

Het boek bevat bijdragen van Tom Vander Beken, Jan Roelandt, Gert Vermeulen, Jeroen De Herdt, Wendy De Bondt, Daniel De Wolf, Stéphanie De Coensel, Joachim Meese, Onno Vancoillie en Philip Traest. De wetenschappelijke coördinatie gebeurde door Wendy De Bondt, Stéphanie De Coensel, Jan Roelandt, Philip Traest, Tom Vander Beken en Gert Vermeulen. 

In het eerste hoofdstuk van het boek wordt door prof. dr. Tom Vander Beken bijzondere aandacht besteed aan de twee hoofdstukken waarin het Nieuw Strafwetboek bepalingen over het misdrijf (Hoofdstuk 2) en de dader (Hoofdstuk 3) invoert, en aan de onderlinge samenhang en consistentie van de regels in dat verband. Wat zijn hier in het kort opvallende nieuwigheden?

Het nieuwe Strafwetboek legt voor het eerst uitdrukkelijk de algemene regels rond misdrijf en dader vast, wat op zich een belangrijke stap vooruit is voor de rechtszekerheid en voor de verankering van de strafrechtsdogmatiek in de wet. Tegelijk bevat de gekozen systematiek nog enkele spanningspunten die mogelijk herbekeken moeten worden vóór de inwerkingtreding. 
Het is positief dat de basisregels over misdrijf en daderschap nu helder in één wetboek zijn gecodificeerd, in plaats van hoofdzakelijk aan rechtspraak en doctrine te worden overgelaten. Daardoor wordt het fundament van het strafrecht transparanter en voorspelbaarder voor alle procesdeelnemers.
Een aanzienlijk deel van de nieuwe bepalingen over misdrijf en straf is geen breuk met het verleden, maar vooral een wettelijke verankering van reeds geldend recht. Daarnaast zijn er echter ook echte vernieuwingen, onder meer inzake de strafbare poging en de deelneming, waar de wetgever inhoudelijke accenten heeft verlegd. Het opvallendst zijn de regels over het moreel bestanddeel en over schuldontheffingsgronden en gronden van niet‑toerekeningsvatbaarheid. Daarin worden kenmerken van het misdrijf (zoals het moreel bestanddeel) en kenmerken van de dader (zoals schuldontheffing) in één constructie met elkaar verweven. Die vermenging van misdrijfaspecten en daderaspecten roept vragen op over vorm en inhoud van enkele kernelementen van het strafrecht na de inwerkingtreding. Het valt niet uit te sluiten dat deze keuze nog systeemfouten bevat, die idealiter nog vóór de effectieve inwerkingtreding kritisch worden geëvalueerd en zo nodig worden bijgestuurd. 

In het tweede hoofdstuk van het boek behandelt dr. Jan Roelandt specifiek het item ‘onachtzaamheidmisdrijven’. Hij wijst erop dat dit op het eerste gezicht weliswaar een niche lijkt, maar dat er rond dit thema toch veel interessante vragen en bedenkingen kunnen rijzen, ook met belang voor de praktijk. 

De onachtzaamheidsmisdrijven nodigen inderdaad uit tot hoogst interessante vragen. Zo is het onderscheid tussen de strafrechtelijke fout en het algemeen opzet nog niet duidelijk uitgekristalliseerd. Met de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek geldt bovendien dat niet langer iedere fout een strafrechtelijke onachtzaamheid vormt, maar wel slechts de zware fout, oftewel het ernstige gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid. Het is daarbij van belang om de criteria waarmee de rechter de zwaarwichtigheid van de fout zal kunnen toetsen, verder te ontwikkelen en te verhelderen. 
In het nieuwe Strafwetboek is dus een duidelijke verschuiving naar een nauwere definitie van onachtzaamheid doorgevoerd, waarbij het gaat om ernstigere vormen van schuld. Deze ontwikkeling draagt bij tot de subsidiariteit in het strafrecht, maar zal bij de toepassing ervan tevens veel nieuwe vragen doen rijzen, ook op strafprocesrechtelijk vlak. 

‘Seksuele zelfbeschikking en seksuele toestemming in het nieuwe Strafwetboek. Integratie van de Wet Seksueel Strafrecht, met beperkte progressie’ is de titel van het derde hoofdstuk. Wat is hierin het standpunt van prof. dr. Gert Vermeulen?

Voor prof. dr. Gert Vermeulen is het te betreuren dat de wetgever bij de Wet Seksueel Strafrecht en de invoering van Boek II van het Nieuw Strafwetboek niet heeft gekozen voor een overkoepelend toestemmingsconcept binnen het seksueel strafrecht. Hoewel toestemming volgens de wet vrijwillig moet zijn en op elk moment kan worden ingetrokken, ontbreekt een expliciete vereiste dat deze toestemming altijd voorafgaand aan de seksuele handeling moet zijn gegeven. Ook blijft de kwaliteit van toestemming beperkt, want idealiter zou deze niet alleen vrijwillig en intrekbaar moeten zijn, maar ook geïnformeerd, ondubbelzinnig en specifiek. De nieuwe wet benadrukt wel een positieve, affirmatieve definitie van toestemming: seksuele handelingen zonder instemming zijn strafbaar, waarbij stilzwijgen niet als toestemming wordt gezien. Toestemming kan worden ingetrokken vóór of tijdens de seksuele handeling, en het strafrecht hanteert regels die verhinderen dat toestemming wordt aangenomen in situaties van dwang, bedreiging, misbruik van kwetsbare toestanden of bij bewusteloze slachtoffers. Ondanks deze verbeteringen is er nog een gebrek aan coherentie in hoe het toestemmingsbegrip wordt toegepast in de diverse strafrechtelijke omschrijvingen van seksuele misdrijven, en is het concept van wederzijdse en affirmative toestemming niet consequent doorgetrokken in kernmisdrijven zoals aanranding van de seksuele integriteit en verkrachting. Het strafrecht had sterker kunnen inzetten op een uniforme, duidelijke en goede kwaliteitstoestemming, waarbij de nadruk op daadwerkelijke, voorwaardelijke en wederzijdse instemming zichtbaar was geweest in alle relevante bepalingen. Dit had niet alleen de rechtszekerheid versterkt, maar ook een krachtiger signaal gegeven over de normatieve invulling van seksuele zelfbeschikking en respect binnen het strafrecht. 

Wat leert ons het hoofdstuk van dr. Jeroen De Herdt getiteld ‘Boek II van het nieuwe Strafwetboek: enkele wegwijzers voor de ontdekking van de nieuwe regels met betrekking tot de gemeenrechtelijke misdrijven’?

Volgens dr. Jeroen De Herdt is Boek II van het nieuwe Strafwetboek in grote lijnen een evolutie van het bestaande strafrecht, met een aanzienlijke opfrisbeurt qua vormgeving, taalgebruik en structuur. De strafmaten worden herzien en er is ingezet op meer samenhang door uniforme definities en expliciete formuleringen van constitutieve bestanddelen. Ook cruciale elementen uit de rechtspraak zijn gecodificeerd, en verspreide strafbepalingen uit het Strafwetboek en bijzondere wetten zijn nu samengebracht en geharmoniseerd. Verder zijn diverse lacunes in de materie opgevuld. Volgens hem ligt de grootste innovatie van Boek II echter in de impact van Boek I, dat de regels omtrent straftoemeting ingrijpend wijzigt. Hierdoor krijgt de rechter meer mogelijkheden om in individuele zaken een passendere straf op te leggen. Voor wie Boek II wil doorgronden, is het dan ook belangrijk om eerst de wijzigingen in Boek I goed te kennen om de nieuwe structuur en inhoud niet te verliezen. Samengevat is Boek II van het Nieuwe Strafwetboek eerder een moderniserende en samenvoegende hervorming dan een revolutie, met een belangrijke focus op coherentie, leesbaarheid en rechtszekerheid binnen het strafrechtelijk systeem.

Het vijfde hoofdstuk is ook een meer dan actueel onderwerp: ‘Minderjarige daders gevangen in het kluwen van een nieuw jeugddelinquentierecht en een nieuw strafrecht’. Wat leert ons de bijdrage van prof. dr. Wendy De Bondt en doctoraatsstudent Lou Vanbeselaere? 

In hun bijdrage pleiten zij ervoor om het Jeugddelinquentiedecreet aan te passen, waarbij referenties naar de oude strafmaten best worden vervangen door referenties naar de nieuwe strafniveaus. In aanloop naar een mogelijke decreetwijziging op dat punt kan het nuttig zijn om een debat te voeren over de wenselijkheid om het ene dan wel het andere strafniveau te gebruiken. De bestaande referentie naar opsluitingen van vijf jaar of meer maakte dat het in heel wat dossiers mogelijk was om de doorlooptijd van de voorbereidende rechtspleging op bijna oneindige wijze te verlengen. De vraag rijst of dat ook is wat we naar de toekomst toe willen behouden. Het is een opportuniteit om na te denken over de manier waarop de duur van de voorbereidende rechtspleging best geregeld wordt.
Op het vlak van internationale samenwerking wijzen zij er ook op dat minstens voor minderjarigen die uit handen gegeven kunnen worden, de internationale samenwerking in de toekomst enkel zal toenemen en dat de nood om daarrond een beleid te ontwikkelen duidelijker zal worden. Het uitwerken van een beleid hierover is de tweede huistaak voor de decreetgever.
Ten derde hebben zij ook inzake elektronische monitoring bedenkingen: zo is het volgens hen moeilijk verdedigbaar dat het gebruik van elektronische monitoring als manier om plaatsingen te vermijden in jeugddossiers uitgesloten zou zijn voor misdrijven waarvoor een elektronisch toezicht voor volwassenen wel mogelijk is. 


En ten slotte vinden zij het ook eigenlijk niet te verantwoorden dat periodes van voorlopige plaatsing niet toegerekend worden wanneer jongeren een minder zware straf krijgen (tot maximum negen maanden), wanneer dat wel gedaan wordt als jongeren een zwaardere straf krijgen (tot maximum twee, vijf of zeven jaar). Daarmee is ook het thema van de vierde huistaak duidelijk.

In het zesde hoofdstuk behandelt prof. dr. Daniel De Wolf ‘De nieuwe DNA-wet van 7 maart 2024’. Wat leert ons zijn bijdrage?  

De wet van 7 maart 2024 introduceert belangrijke nieuwe technieken voor DNA-onderzoek in strafzaken, die vooral het nut van DNA-onderzoek voor forensische doeleinden versterken en weinig bewijsrechtelijke kritiek oproepen. Hoewel veel van deze technieken al in buurlanden worden toegepast, waren ze in België lange tijd niet wettelijk verankerd. De wet regelt onder andere complexe bewaartermijnen en handhaaft waarborgen en voorwaarden voor het gebruik van DNA-onderzoek, voortbouwend op de wet van 1999.

Opmerkelijk is dat de wetgever geen strikte kwalitatieve eisen stelt voor de betrouwbaarheid van DNA-bewijzen, zoals het minimum aantal DNA-markers, en deze beoordeling grotendeels aan de rechter overlaat. De rechter moet zelfstandig bepalen of het DNA-bewijs voldoende overtuigend is.

DNA-onderzoek levert belangrijke resultaten, vooral waar klassieke methoden tekortschieten, en kan helpen gerechtelijke dwalingen te voorkomen. Het bewijs is echter nooit absoluut; DNA identificeert alleen biologisch materiaal dat op de plaats delict achterbleef, en moet in elk stadium van de analyse – van plaats delict tot interpretatie – nauwkeurig worden uitgevoerd om betrouwbaar te zijn.

Kortom, de wet van 7 maart 2024 is een belangrijke stap in het moderniseren van DNA-onderzoek, maar vraagt voortdurende aandacht voor kwaliteit en interpretatie. 

Hoofdstuk 7, dat over ‘De (onmiddellijke) minnelijke schikking en het bevel tot betalen’ gaat, heeft de voorbije jaren heel wat stof doen opwaaien. Wat is de visie van prof. dr. Stéphanie De Coensel?

In haar bijdrage pleit ze ervoor, net als de Orde van Vlaamse Balies, om waakzaam te blijven voor mogelijke uitbreidingen van het toepassingsgebied van het bevel tot betalen. Hoewel de rechtspraak meermaals heeft bevestigd dat het bevel tot betalen niet strekt tot het opleggen van een straf, maar uitsluitend tot het creëren van een uitvoerbare titel, is ze van mening dat we niet kunnen ontkennen dat het openbaar ministerie steeds meer op het terrein van de strafrechter komt. Deze werkwijze kan aanvaardbaar worden geacht voor zeer lichte inbreuken, met name in het verkeerscontentieux, maar moet met voorzichtigheid worden benaderd bij zwaardere misdrijven. Tegelijkertijd moet er ook aandacht blijven gaan naar de onderliggende minnelijke schikking. Indien deze expliciet wordt betwist, zou dit niet mogen leiden tot een bevel tot betalen. Een betwisting impliceert dat de rechtsonderhorige toegang moet krijgen tot een rechter – en dit niet pas in het kader van een beroep tegen een bevel tot betalen. In haar bijdrage concludeert ze dat, ondanks enkele fundamentele vragen, de proceseconomische doelstellingen de bovenhand halen – wat meermaals bevestigd is door het Grondwettelijk Hof. Het bevel tot betalen is daarmee een structureel onderdeel geworden van het Belgische strafprocesrecht. 

Wat leert ons de bijdrage van prof. dr. Joachim Meese over ‘De verjaring van de strafvordering en de redelijke termijn in strafzaken na de wet van 9 april 2024’?

Volgens prof. dr. Joachim Meese heeft de wet van 9 april 2024 de zeer grote verdienste de nodeloos complexe regeling van de verjaring van de strafvordering – volgens de minister van Justitie een bron van stress voor parketmagistraten – drastisch te hebben vereenvoudigd en daarbij te zijn uitgegaan van een geïntegreerde benadering met de redelijke termijn in strafzaken. Maar zoals wel vaker het geval is, brengt deze nieuwe wet wel enkele nieuwe vragen en knelpunten met zich, die ongetwijfeld in de nabije toekomst in de rechtspraak aan bod zullen komen. Hij is daarom van mening dat er mag verwacht worden dat de nieuwe verjaringsregeling zal worden herzien, of minstens dat er door de wetgever zal worden onderzocht of dat nodig is, ter gelegenheid van de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek op 8 april 2026. Zo zou meer differentiatie van de verjaringstermijnen op basis van de strafschalen in dat nieuwe wetboek zeker welkom zijn. 

Sinds 5 februari 2024 kent het Belgische strafprocesrecht (opnieuw) een snelrechtprocedure met vrijheidsberoving. Wat zijn de bevindingen van mr. Onno Vancoillie hierover?

Het is vooreerst zeer de vraag of de regeling van de korte termijnen van het snelrecht in realiteit wel verzoenbaar zal zijn met de – nochtans terechte – voorwaarde van het volledig afgerond zijn van het gerechtelijk onderzoek. Beoogt de snelrechtprocedure werkelijk de tijd te beperken waarbinnen de beklaagde zich in voorlopige hechtenis bevindt, doordat enkele tijdsintensieve procedurele hinderpalen worden weggewerkt, in dossiers die zich laten omschrijven als ‘eenvoudig’ en een bijna onmiddellijke berechting van de feiten toelaten? Of wordt de voorlopige hechtenis louter geïnstrumentaliseerd om de beklaagde tussen het moment van de aanhouding en de berechting de facto te dwingen zich geconfronteerd te zien met de snelle berechting van de gepleegde feiten? Dergelijke ondergeschikte rol staat haaks op de ratio van de voorlopige hechtenis en valt moeilijk te rijmen met artikel 5 EVRM.
Een evaluatie is toch ten zeerste aan te bevelen omdat er zich enkele wijzigingen opdringen om bepaalde knelpunten in de wet te verhelpen. Niet het minst omdat de snelrechtprocedure in zijn huidige vorm nauwelijks tot niet in de praktijk zal worden toegepast, gelet op de richtlijnen van strafrechtelijk beleid die het College van procureurs-generaal in zijn omzendbrief dienaangaande heeft vooropgesteld. Hierin wordt een veralgemeend gebruik van de snelrechtprocedure in zijn huidige versie afgeraden. Meer algemeen stelt zich hier de vraag of de vermeende behoefte aan snelrecht niet eerder wijst op de noodzaak van een grondige herziening van het strafprocesrecht in zijn geheel, in plaats van het invoeren van bijzondere – op snelheid gerichte – procedures die de coherentie van het strafprocesrecht in zijn huidige vorm ondermijnen en op gespannen voet staan met de fundamentele beginselen die het behelst. 

Waarom schrijft prof. dr. Philip Traest in zijn bijdrage met de titel ’Naar een eengemaakt vooronderzoek in strafzaken?’ dat de wetgever er maar niet in geslaagd is de architectuur en de inrichting van het strafproces en vooral van het vooronderzoek duurzaam te hervormen?

Onder invloed van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel is het vooronderzoek geëvolueerd naar een systeem waarin er nog slechts twee vormen bestaan, maar waarin de participatierechten van de partijen grotendeels op gelijke wijze zijn uitgewerkt. De resterende verschillen hebben in wezen enkel betrekking op de wijze waarop beide vormen van vooronderzoek worden afgesloten en op de rol van de persoon die het vooronderzoek leidt. De centrale vraag die zich in het huidige wettelijke kader dan ook opdringt, is of deze twee verschilpunten kunnen verantwoorden dat beide vormen naast elkaar blijven bestaan, ten koste van transparantie en efficiëntie. Het lijkt duidelijk dat dit niet het geval is.

Een eengemaakt vooronderzoek onder leiding van de procureur des Konings en met tussenkomst van een onderzoeksrechter is slechts mogelijk met bijkomende middelen voor justitie. De bestaande onderzoeksrechters blijven immers nodig, terwijl het openbaar ministerie en de kamers van inbeschuldigingstelling extra capaciteit vereisen om hun groeiende werklast aan te kunnen – een nood die nu al bestaat door de recente participatierechten in het opsporingsonderzoek. Aan de andere kant kan de afschaffing van de regeling inzake de rechtspleging en de verschuiving van het toezicht op de regelmatigheid naar de vonnisgerechten een besparing opleveren.

De recente rechtspraak en wetgeving wijzen duidelijk de weg vooruit; een terugkeer naar de pre-Franchimontsituatie van vóór 1998 is ondenkbaar. Onder impuls van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de arresten van het Grondwettelijk Hof zijn de twee vormen van vooronderzoek sterk naar elkaar toegegroeid, wat de huidige tweesporenstructuur onhoudbaar maakt. Een vereenvoudiging en rationalisering dringen zich dan ook op, en die is enkel haalbaar via een eengemaakt vooronderzoek.

Over het boek

51e postuniversitaire cyclus Willy Delva – Straf(proces)recht vandaag, morgen en overmorgen

Wendy De Bondt, Stéphanie De Coensel, Jan Roelandt, Philip Traest, Tom Vander Beken en Gert Vermeulen (eds.)

December 2025
ISBN 9789400019102


Onze klanten raadpleegden ook:

Strafrecht | Mei 2025

De verdachte rechtspersoon in het strafrechtelijk vooronderzoek | Frauke De Wael

Larcier-Intersentia sprak met de auteur dr. Frauke De Wael naar aanleiding van het verschijnen van dit werk. Sinds 25 jaar kunnen rechtspersonen in België misdrijven plegen en gestraft worden, maar het aanpassen van ons strafprocesrecht aan deze nieuwe verdachte entiteiten, die niet van vlees en bloed zijn, blijft complex en roept meerdere vragen op over de toepassing van strafprocesrechtelijke waarborgen op deze entiteiten. Lees meer.

Strafrecht | Mei 2025

Verstek en verzet in strafzaken | Bart De Smet

Larcier-Intersentia sprak met de auteur dr. Bart De Smet naar aanleiding van het verschijnen van de vijfde herziene editie van dit werk. In dit interview werpt de auteur een nieuw licht op de procedure rond afwezige beklaagden en het recht op herkansing door verzet. Lees meer.

Volg ons:     

              

Ons gratis tijdschrift:

· Emile & Ferdinand

Blijf op de hoogte met onze nieuwsbrieven!