Interview

Nieuw recht inzake persoonlijke zekerheden: een grondige analyse van de nieuwe regels

Larcier-Intersentia interviewde de editors prof. dr. Vincent Sagaert en prof. dr. Joeri Vananroye ter gelegenheid van de publicatie van het boek Nieuw recht inzake persoonlijke zekerheden

Boek 9, Titel 1 van het nieuw Burgerlijk Wetboek (inwerkingtreding 1 januari 2026) herschikt grondig het Belgische recht inzake persoonlijke zekerheden.
Naast een nieuwe regeling van de borgtocht (inclusief het beschermingsregime voor de consumentenborg), is er voor het eerst een wettelijke regeling van autonome garanties, hoofdelijkheid tot zekerheid, sterkmaking tot zekerheid en patronaatsverklaringen.

Dit boek geeft een grondige analyse van de nieuwe regels, met bijdragen van Marieke Wyckaert, Vincent Sagaert, Matthias E. Storme, Dominique Blommaert, Prescillia Algrain, Willem Possemiers, Charles-Antoine Leunen, Joeri Vananroye en Emil Verheul.

De wet van 5 juni 2025 houdende titel 1 “Persoonlijke zekerheden” van boek 9 “Zekerheden” van het Burgerlijk Wetboek, die op 11 juli 2025 in het Belgisch Staatsblad is verschenen, vormt het eerste luik van Boek 9 van het Burgerlijk Wetboek. Kunnen jullie toelichten hoe de structuur van Boek 9 eruitziet en wat de voorgeschiedenis is van Boek 9?

Boek 9 van het Burgerlijk Wetboek is als volgt gestructureerd: Titel 1 behandelt de persoonlijke zekerheden, Titel 2 het pandrecht, Titel 3 de hypotheek, Titel 4 het eigendomsvoorbehoud, Titel 5 het retentierecht en Titel 6 de voorrechten.

De totstandkoming van deze wet is in belangrijke mate te danken aan het voorbereidende werk van wijlen professor Eric Dirix, dat al vele jaren op een uitwerking wachtte. Pas na de afronding van het algemene kader van Boek 5 BW konden de specifieke regels inzake persoonlijke zekerheden worden geconcretiseerd.

Het ontwerp werd na de zomer van 2023 voltooid door een commissie bestaande uit Jean-Christophe Boulet (FOD Justitie), prof. dr. Christine Biquet (ULiège), Piet François (Febelfin), prof. dr. Vincent Sagaert (KU Leuven, voorzitter), prof. dr. Matthias E. Storme (KU Leuven) en Biagio Zammitto (kabinet Justitie). 

De goedgekeurde wet vormt daarmee een postuum eerbetoon aan Eric Dirix. Tijdens de werkzaamheden stelde de commissie meermaals vast hoe zorgvuldig en doordacht zijn keuzes in het oorspronkelijke ontwerp waren.

Eric Dirix was niet alleen de penhouder van Boek 1 en van aanzienlijke delen van Boek 5 BW, maar ook de algemene coördinator van de herziening. Hij leverde tevens een wezenlijke bijdrage aan Boeken 3 en 6, en legde zo de fundamenten van het nieuwe Belgische vermogensrecht. Met de inwerkingtreding van Boek 9 heeft dit vernieuwde vermogensrecht een onomkeerbare fase bereikt – een mijlpaal waarvan toekomstige generaties juristen zonder twijfel de vruchten zullen plukken.

De wet is in werking getreden op 1 januari 2026, maar is er dan geen probleem met persoonlijke zekerheden die zijn gesteld voor die datum van 1 januari 2026?

Behoudens andersluidende overeenkomst tussen de partijen, is de nieuwe wet niet van toepassing op persoonlijke zekerheden die vóór 1 januari 2026 werden gesteld. In dat geval blijft het oude regime gelden voor de toekomstige gevolgen van die zekerheden, ongeacht het moment waarop de gewaarborgde schuldvordering zelf is ontstaan.

Wanneer de zekerheid vóór 1 januari 2026 werd gesteld, maar de gewaarborgde hoofdschuld pas daarna ontstaat (zoals bij een borgtocht voor alle huidige en toekomstige schuldvorderingen), blijven de vroegere regels gelden. Nieuwe wetgeving mag immers geen afbreuk doen aan de verworven rechten van de partijen.

Omgekeerd, wanneer de zekerheid ná 1 januari 2026 is gesteld, terwijl de gewaarborgde schuld al bestond vóór die datum, zijn de nieuwe regels van toepassing. Partijen kunnen echter in onderlinge overeenstemming afwijken van deze overgangsbepalingen. Zij kunnen er bijvoorbeeld voor kiezen om een bestaande zekerheid aan het nieuwe recht te onderwerpen. Hiervoor is wel de instemming van alle oorspronkelijke contractpartijen vereist.

In theorie kunnen partijen ook het omgekeerde doen: zij kunnen bepalen dat een nieuwe zekerheid onder het oude recht valt, voor zover dit niet strijdig is met de dwingende bepalingen of regels van openbare orde uit het nieuwe recht.

Wat zijn nu de krachtlijnen van het nieuwe recht?

De nieuwe wet inzake persoonlijke zekerheden is eerder een ‘restatement’ dan een echte hervorming, met behoud van de basisstructuur van het oud BW, maar met moderne preciseringen en verschuivingen die zich langs de assen van diverse krachtlijnen situeren. Bij de modernisering heeft de wetgever een doorgedreven rechtsvergelijkende benadering gehanteerd, waarbij – naast het Franse en Nederlandse recht – ook de Draft Common Frame of Reference een belangrijke inspiratiebron was. 

De wet integreert nu alle in de praktijk gegroeide persoonlijke zekerheden in het BW: naast de klassieke borgtocht worden o.m. autonome garantie, patronaatsverklaring, sterkmaking tot uitvoering en hoofdelijkheid tot zekerheid expliciet verankerd. Een persoonlijke zekerheid wordt gedefinieerd als de verbintenis van een derde die de betaling van een schuld van de hoofdschuldenaar waarborgt, waardoor het verhaalsvermogen van de schuldeiser kwantitatief wordt uitgebreid.​

Er wordt systematisch onderscheiden tussen accessoire persoonlijke zekerheden, een synoniem voor borgtocht, en de autonome persoonlijke zekerheden, wat een synoniem is voor de autonome garantie. Het criterium van onderscheid wordt bepaald al naargelang de geldigheid, de modaliteiten, de omvang en het voortbestaan van de persoonlijke zekerheid al dan niet afhankelijk zijn van de gewaarborgde verbintenis. De term ‘autonoom’ wordt daarbij verkozen boven de term ‘abstract’. Immers, zo preciseert de Toelichting, de verbintenis van de borg is eveneens abstract, aangezien de borg tegenover de schuldeiser geen beroep kan doen op verweermiddelen uit de dekkingsverhouding tussen de borg en de hoofdschuldenaar. De autonome garantie krijgt door de wet voor het eerst een wettelijke verankering, weliswaar van aanvullend recht. Dat wettelijke regime was noodzakelijk, omdat de autonome garantie ook in andere contexten dan de internationale bankpraktijk gebruikt wordt. Dat het wettelijke regime inzake de autonome garantie van aanvullend recht is, was dan weer noodzakelijk om die internationale bankpraktijk niet te muilkorven of, althans, van het Belgische recht af te wenden.

Bepaalde figuren worden enkel benoemd, maar niet volledig geregeld: het gaat met name om de patronaatsverklaring, de sterkmaking tot uitvoering en de hoofdelijkheid tot zekerheid. De wetgever heeft aandacht besteed aan het argument dat de andere persoonlijke zekerheden dan de borgtocht zich goed hebben weten te ontwikkelen zonder wettelijke verankering en dat een codificatie bijgevolg overbodig is en misschien zelfs onwenselijk is. Maar de wetgever vond het toch wenselijk dat er een basisregeling wordt uitgewerkt die aan de rechter een zeker houvast biedt.

Voor de rechtspraktijk wordt nu ook duidelijk bepaald of partijen mogen afwijken van de wettelijke regels of niet. Kunnen jullie dit nader toelichten, ook in het licht van de bijzondere bescherming van de consument?

Meer nog dan in andere rechtsdomeinen is in het zekerhedenrecht ex ante zekerheid over de geldigheid van het contract op juridisch vlak een noodzakelijke voorwaarde voor de economische zekerheid.

De allereerste bepaling bevat een duidelijke regel inzake de afbakening van de contractvrijheid van partijen op het vlak van de persoonlijke zekerheden: de partijen kunnen afwijken van de bepalingen van deze titel, behalve indien het om definities gaat of indien de wet anders bepaalt (art. 9.1.1 BW). 
Artikel 9.1.1 BW vormt dus de strikte versie van de bepaling van de wilsautonomie, zoals die ook in artikel 3.1 (goederen) en artikel 8.1 BW (bewijs) voorkomt.


Het basisprincipe is dus dat de nieuwe bepalingen van aanvullend recht zijn, maar hierop bestaan er uitzonderingen. In de eerste plaats zijn er de definities, maar daarnaast zijn er ook een aantal bepalingen waarvan de wetgever zelf aangeeft dat ze van dwingend recht zijn. Dat is zo het geval met het volledige Hoofdstuk 4 inzake consumentenborg, de verplichte vermelding van een maximumbedrag bij een borgtocht voor alle schuldvorderingen, de vereiste van de redelijke voorzienbaarheid bij een borgtocht voor alle schuldvorderingen, de inachtneming van een redelijke opzegtermijn bij een borgtocht van onbepaalde duur, de informatieplicht van de schuldeiser en verschillende bepalingen die het subrogatoire verhaalsrecht van de borg moeten beschermen. Elk van die bepalingen geeft aan dat er geen contractuele afwijking mogelijk is door de bewoordingen “niettegenstaande enig andersluidend beding”.

Eén partij wordt in het bijzonder beschermd: dat is de consument die een persoonlijke zekerheid stelt. 
De consumentenbescherming is te situeren in drie gradaties. Vooreerst voorziet de wetgever in bijzondere regels, die alle van dwingend recht zijn. Daarnaast maakt de wetgever sommige regels van gemeen recht, die aldaar van aanvullend recht zijn, dwingend wanneer de zekerheidsteller een consument is. Tot slot is er een derde beperking, namelijk dat een consument enkel een borgtocht als persoonlijke zekerheid kan stellen. Andere persoonlijke zekerheidsmechanismen (zoals de autonome garantie, de bindende patronaatsverklaring, de hoofdelijkheid tot zekerheid en de sterkmaking tot uitvoering) zijn uitgesloten voor de consument die een persoonlijke zekerheid verschaft. Doet hij dat toch, dan wordt de zekerheid van rechtswege omgezet in een borgtocht.

De vroegere “kosteloze borgtocht” wordt nu vervangen door de “consumentenborg”, wat adequater is ter afbakening van de beschermingsmaatregelen en minder aanleiding geeft tot rechtsonzekerheid. Wat zijn de redenen voor deze wijziging? 

Wat het toepassingsdomein betreft, bestond er onder het oude recht vaak discussie over het begrip ‘kosteloosheid’. Kan bijvoorbeeld een samenwonende partner of zelfs een erfgenaam als kosteloze borg worden gezien indien hij een zekerheid verleent voor een krediet aangegaan door de andere partner of toekomstige erflater? Bepaalde rechtspraak en rechtsleer zijn van oordeel dat een echtgenoot of samenwonende partner een voldoende belang heeft om niet als kosteloze borg te worden beschouwd. Het Hof van Cassatie had aan de onzekerheid bijgedragen door te oordelen dat de afwezigheid van een concrete tegenprestatie niet noodzakelijk betekende dat men een kosteloze borg was. 

Het begrip ‘consumentenborg’ als vervanger van de ‘kosteloze borg’ is nu adequater ter afbakening van de beschermingsmaatregelen en geeft minder aanleiding tot rechtsonzekerheid. De wetgever heeft ervoor gekozen om in het Burgerlijk Wetboek het consumentenbegrip niet te fragmenteren en louter te verwijzen naar de relevante bepaling uit het Wetboek van economisch recht. Het typevoorbeeld van een consumentenborg is dat van de ouders of grootouders die zich borg stellen voor hun (klein)kind, terwijl zij vreemd zijn aan de activiteit waarvoor deze laatste financiering nodig heeft. Het is met de voorgestelde regeling duidelijk dat het loutere feit dat er een huwelijksrelatie of andere samenwoningsvorm bestaat tussen de hoofdschuldenaar en de borg, op zichzelf aan deze laatste de bescherming van de regels uit de consumentenborg niet ontneemt. Het feit dat de borg in het kader van de samenwoningsrelatie diensten verricht voor de hoofdschuldenaar of diens vennootschap, ontneemt evenmin deze bescherming. Indien een echtgenoot bijvoorbeeld administratieve taken of de boekhouding doet voor de vennootschap van de andere echtgenoot, betekent dit niet noodzakelijk dat de borg een substantiële invloed op de vennootschap kan hebben. 

Maar de ‘zakelijke borgtocht’ is toch nog onvolledig geregeld: de wetgever heeft immers nog niet in een oplossing voorzien voor de zakelijke borgtocht?

De zakelijke borgtocht wordt gedefinieerd als een zakelijke zekerheid gesteld voor andermans schuld (derde‑pandgever of derde‑hypotheekgever), waarbij enkel specifieke goederen worden bezwaard en de zekerheidsteller niet persoonlijk tot de hoofdschuld gehouden is. De figuur is hybride: functioneel een persoonlijke zekerheid (uitbreiding verhaalsvermogen), maar juridisch ook een zakelijke zekerheid onderworpen aan het regime van pand/hypotheek.​

Rechtspraak en rechtsleer zijn verdeeld over de vraag in welke mate borgtochtrecht op de zakelijke borg kan worden toegepast. Het Hof van Cassatie past een ad hoc-benadering toe: sommige borgtochtnormen worden analoog toegepast (subrogatoir verhaalsrecht, bevrijding bij kwijtschelding hoofdschuldenaar), andere niet (bv. regeling verhinderde subrogatie).​

De nieuwe wet beperkt zich voorlopig tot een definitie en een punctuele regeling van de verhaalsrechten tussen borgen: de verdere bescherming van de zakelijke borg zal worden uitgewerkt in de toekomstige Titels 2 en 3 van Boek 9 BW. 

De wetgever heeft ook duidelijk voorzien in gemeenschappelijke regels voor alle persoonlijke zekerheden. Wat zijn hier de belangrijkste punten?

Het stamhoofdstuk (art. 9.1.1–9.1.10 BW) bevat inderdaad algemene regels voor alle persoonlijke zekerheden (borgtocht, autonome garantie, bindende patronaatsverklaring, sterkmaking tot uitvoering, hoofdelijkheid tot zekerheid).​

De belangrijkste punten zijn:

  • Bronnen voor persoonlijke zekerheden: een persoonlijke zekerheid kan voortvloeien uit een contract, een eenzijdige wilsuiting of de wet, zelfs zonder medeweten van de hoofdschuldenaar of zonder voorafgaande toestemming van de schuldeiser; ook een achterborg/onderborg is mogelijk.​
  • Geen intuitu personae‑karakter van de betalingsverbintenis: verbintenissen gaan in principe over op erfgenamen en algemene rechtverkrijgenden, met een beperking voor natuurlijke personen‑borgen bij overlijden en voor reeds bestaande verplichtingen.​
  • Restrictieve interpretatie: geen vermoeden van persoonlijke zekerheid (zij moet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn aangegaan), beperkte uitlegging binnen de grenzen van de aangegane verbintenis en twijfel wordt in het voordeel van de zekerheidsteller uitgelegd; bij twijfel over de kwalificatie wordt vermoed dat het om een borgtocht gaat.​
  • Solvabiliteit: wie verplicht is een persoonlijke zekerheid te stellen, moet een bekwaam en voldoende solvabel zekerheidsteller aanbieden; wordt deze later insolvabel, dan moet een andere zekerheid worden gesteld, behoudens wanneer de schuldeiser uitdrukkelijk een bepaalde persoon eiste.​

Samen genomen versterken deze regels de bescherming van (vooral natuurlijke en consumenten‑)zekerheidstellers, terwijl het functionele nut en de voorspelbaarheid van persoonlijke zekerheden voor de financieringspraktijk behouden blijven.​

Over het boek

Nieuw recht inzake persoonlijke zekerheden

Vincent Sagaert en Joeri Vananroye (eds.)

Februari 2026
ISBN 9789400020115


Onze klanten raadpleegden ook:

Burgerlijk | November 2025

Standard Business Contracts; een praktische leidraad voor de jurist | Dirk Deschrijver, Marc Taeymans en Olivier Vanden Berghe

Larcier-Intersentia interviewde de auteurs Dirk Deschrijver, Marc Taeymans en Olivier Vanden Berghe naar aanleiding van de nieuwe vijfde editie van hun publicatie Standard Business Contracts. In dit interview wordt de inhoud uit het boek uitvoerig besproken enz. Lees meer.

Burgerlijk | November 2025

Renovatie en vastgoed: een grondige analyse, met aandacht voor de hertekening door de Vlaamse regelgever | Dorothy Gruyaert en Vincent Sagaert

Larcier-Intersentia interviewde de editors, de hoogleraren Dorothy Gruyaert en Vincent Sagaert, naar aanleiding van deze uitgave. In dit interview worden de verschillende thema's en bijdragen uit het boek uitvoerig besproken enz. Lees meer.

Volg ons:     

              

Ons gratis tijdschrift:

· Emile & Ferdinand

Blijf op de hoogte met onze nieuwsbrieven!