| Interview |


Het personen- en familierecht. Een benadering in context: negende, herziene editie
Larcier-Intersentia interviewde prof. dr. Frederik Swennen naar aanleiding van de negende, herziene uitgave van het boek Het personen- en familierecht. Een benadering in context.
Het personen- en familierecht gaat over de persoonlijke levensloop van mensen, van aan hun geboorte (en zelfs voordien) tot aan hun overlijden (en zelfs nadien). Het personenrecht regelt het lidmaatschap van de rechtsgemeenschap van natuurlijke personen in het algemeen en van bijzondere categorieën van natuurlijke personen in het bijzonder (Belgen, minderjarigen, meerderjarige beschermde personen en personen met een psychiatrische aandoening). Het familierecht regelt drie soorten familierechtelijke betrekkingen: partnerschap, ouderschap en de betrekkingen binnen de bredere kring van verwanten.
Dit handboek met GPRC-keurmerk is het meest recente in het vakgebied. Het onderscheidt zich door de ruime focus, de verwerking van ook internationale rechtspraak en de focus op dertig actuele debatten. De 14 hoofdstukken van dit boek bevatten per thema telkens een uiteenzetting van de beginselen en een samenvatting van de rechtstechniek aan de hand van de belangrijkste nationale en internationale bronnen. Het handboek gaat ook in op het Wetboek Belgische Nationaliteit, de Wet Bescherming Persoon Psychiatrische Aandoening en het jeugdbeschermingsrecht.
Het handboek plaatst het recht van hier en nu in een bredere en diepere context, met verwijzingen naar socio-culturele bronnen en met dertig focusstukjes over de actuele debatten.
Frederik Swennen is gewoon hoogleraar aan de Faculteit Rechten van de Universiteit Antwerpen.
Hij doceert en onderzoekt er het personen- en familierecht sinds 2002.
Hij is ook advocaat (Greenille Private Client Team van Deloitte Legal – Lawyers).
Opmerkelijk: u omschrijft in de eerste bladzijden van uw publicatie het personen- en familierecht als ‘een vreemde eend in de privaatrechtelijke bijt’. Waarom die toch wel speciale omschrijving?
Het personen- en familierecht wordt gerekend tot het burgerlijk recht en ruimer het privaatrecht, maar het is daar inderdaad een vreemde eend in de bijt.
Terwijl in het privaatrecht in het algemeen de wilsautonomie en bijhorende contractvrijheid als uitgangspunten gelden, is de burgerlijke staat grotendeels aan de contractvrijheid onttrokken. De regels van het personen- en familierecht zijn doorgaans van openbare orde of dwingend recht, en slechts in bijkomende mate van aanvullend recht. Burgerlijke staat enerzijds en contract anderzijds worden daardoor tegengestelden.
Die principiële tegenstelling verwatert wel: in het personen- en familierecht komt er meer ruimte voor contractvrijheid, terwijl openbare orde en dwingend recht elders in het privaatrecht steeds prominenter aanwezig zijn, bijvoorbeeld in het huurrecht, consumentenrecht of individueel arbeidsrecht.
Voor de principiële uitzonderingspositie van het personen- en familierecht binnen het privaatrecht zijn er diverse redenen, waarvan ik er hier drie kort toelicht en uiteraard meer gedetailleerd analyseer in het boek.
Ten eerste heeft het personen- en familierecht deels een publiekrechtelijke functie: het bepaalt wie er hoe mag deelnemen aan de rechtsgemeenschap. Die regels raken dus de grondslag van de maatschappelijke orde. Binnen die maatschappelijke orde zijn families letterlijk en figuurlijk een middenveld waarin er samenhorigheid en solidariteit bestaat (fraternité in de driedeling liberté, égalité, fraternité).
Ten tweede is de overheid verplicht tot de bescherming van burgers die niet zelf of zelfstandig voor hun belang kunnen opkomen. Vooral de minderjarige is een zwakke partij en diens belang moet een voorrangspositie krijgen bij elk overheidsoptreden. Dit heet de parens patriae-doctrine.
Ten derde spelen er in het familierecht overwegingen van socio-economische aard die ook de openbare orde raken. Dat gaat van de aanmoediging van zorg binnen families in plaats van afwenteling op publieke middelen tot de meest efficiënte manieren tot handhaving van de alimentatieverplichtingen.
Wat eveneens opvalt: in de 14 hoofdstukken heeft u ook regelmatig een ‘Focus’ ingelast, die duidelijk opvalt, aangezien de tekst in een kader werd geplaatst. We moesten ons uiteraard beperken voor dit interview, maar we selecteerden bij het doornemen van uw publicatie bijvoorbeeld alvast ‘Focus 19’, waarin u pleit voor een dwingende relatiebescherming bij feitelijke samenwoning. Kunt u deze ‘Focus 19’ even toelichten?
Bepaalde rechtsleer ziet de aanwezigheid van (minderjarige) kinderen als de enige rechtvaardiging voor een dwingende bescherming van feitelijke samenwoningen, die momenteel nog ontbreekt. Naar mijn mening kunnen ook andere redenen een rechtvaardiging vormen, bijvoorbeeld wanneer één van de partners zijn of haar beroepsactiviteiten stopzet of vermindert ten voordele van de onderneming of familie van de andere partner. In al die gevallen is een minimale dwingendrechtelijke bescherming wel nodig. Men kan er ook niet omheen dat de feitelijke samenwoning in tal van andere rechtstakken reeds een relevant aanknopingspunt vormt, naast – en soms in de plaats van – het huwelijk of de wettelijke samenwoning. Zo geldt in Vlaanderen bijvoorbeeld een gelijkstelling inzake de tarieven van de erf- en schenkbelasting.
Afhankelijk van de mate van vergelijkbaarheid, en van het doel en de gevolgen van de betreffende norm, kunnen huwelijk, wettelijke samenwoning en feitelijke samenwoning beter op elkaar worden afgestemd. Naargelang van het normdoel zal daarbij meer of minder belang worden gehecht aan de sterkte van het engagement tussen de samenwonenden en de mate waarin zij zich daaraan kunnen onttrekken. Een recent voorbeeld is de preferentiële toewijzing van de onverdeelde gezinswoning: de wetgever heeft die naar aanleiding van een arrest van het Grondwettelijk Hof uitgebreid tot de wettelijke samenwoning, maar onterecht niet tot de feitelijke samenwoning.
Bij het uitwerken van een wettelijke regeling mag de wetgever het recht om niet te huwen niet uit het oog verliezen. De regeling moet dus terughoudend zijn. Wel is er ruimte voor maatregelen die specifiek bescherming bieden aan sociaal-economisch zwakkere samenwonenden, die zich niet altijd voldoende kunnen informeren over hun rechten en plichten buiten een geïnstitutionaliseerde relatie. Zo kan bijvoorbeeld worden voorzien in een automatische bescherming waarvan slechts uitdrukkelijk en bewust afstand kan worden gedaan.
Een tweede focus waarvan de titel ons ook is opgevallen, is ‘Focus 27’, met als titel Platonisch ouderschap. Wat wordt hiermee bedoeld?
Het Grondwettelijk Hof heeft tweemaal geoordeeld dat de absolute onmogelijkheid tot tweede-ouderadoptie van een kind door een oom of tante ongrondwettig is. Deze rechtspraak ligt in de lijn van een ander arrest dat ook het absolute incestverbod in het afstammingsrecht ongrondwettig heeft bevonden omdat de wetgever nu eenmaal geen blinde voorkeuren mag hanteren bij de vestiging van de afstamming en kennelijk evenmin bij de adoptie.
In de eerste zaak wilde een man de kinderen adopteren van de vrouw met wie hij wettelijk samenwoonde maar wier volle adoptiebroer hij ook was. Door het absolute huwelijksbeletsel tussen vol geadopteerde broers en zussen (art. 162 en 356-1, eerste lid oud BW) kon hij bijgevolg niet als samenwonende worden beschouwd met het oog op tweede-ouderadoptie (art. 343, § 1, b oud BW). Dat zou anders zijn geweest mocht hij de plusbroer of de gewoon geadopteerde broer van de moeder zijn geweest. Het Hof vond dat discriminatoir en ook strijdig met het belang van de kinderen. Uit de feiten valt echter niet af te leiden of de man en zijn adoptiezus in werkelijkheid partners waren of niet.
In de tweede zaak wou een vrouw overgaan tot de gewone adoptie van de dochter van haar tweelingzus, met wie zij al meer dan drie jaar samenwoonde. Door het absolute huwelijksverbod tussen zussen (art. 162 oud BW) kon zij niet als samenwonende worden beschouwd met het oog op tweede-ouderadoptie (art. 343, § 1, b oud BW). Ook hier besloot het Hof tot een schending van het gelijkheidsbeginsel en van het belang van het kind. Belangrijker is echter dat het Hof ook besloot dat twee zussen permanent en affectief kunnen samenwonen terwijl vaststaat dat zij niet elkaars partner zijn. Het was niet de bedoeling van de wetgever van 2003 dat een adoptie in die omstandigheden tot stand zou kunnen komen.
Volgens de wetgever moet de relatie tussen de adoptieouders verplicht van affectieve aard zijn. Het belang van de geadopteerde, in hoofdzaak van het geadopteerde kind, zou erin schuilen te worden opgevangen in een familie, in de algemene betekenis van het woord. Twee vrienden, hoe eerbaar hun streven ook mag zijn, kunnen dat de geadopteerde niet bieden. Daarmee ben ik het niet eens. Het zou een logische uitbreiding zijn, mocht adoptie net zoals de afstamming ook openstaan voor vrienden, als dat in het hoger belang is van het kind. Voorbeelden daarvan zijn al te vinden in de VS en Canada. Ze sluiten aan bij de tendens waarbij het familierecht niet meer uitsluitend de seksuele familie beschermt.
Over het boek


Het personen- en familierecht (negende, herziene uitgave)
Frederik Swennen
Februari 2026
ISBN 9789400020146

