Interview

De rechter en het voorwerp van de vordering: het resultaat van een grondige studie

Larcier-Intersentia interviewde dr. Elise Dauw naar aanleiding van de komende publicatie van het boek De rechter en het voorwerp van de vordering.

De rechter mag het voorwerp van de vordering niet wijzigen door iets meer of iets anders toe te kennen dan gevorderd. Dit verbod vormt een gevestigde regel van de burgerlijke procedure. Tot een tiental jaar geleden besteedde de rechtsleer in beperkte mate aandacht aan dit verbod. Enkele ontwikkelingen in de rechtspraak van het Hof van Cassatie noopten evenwel tot een grondige studie. Het proefschrift dat aan de basis ligt van het boek, voerde een onderzoek naar de aangewezen bewegingsruimte van de rechter ten aanzien van het voorwerp van de vordering. Geïnspireerd door de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie werd deze vraag benaderd vanuit drie deelonderwerpen. Het eerste deelonderwerp onderzoekt de totstandkoming van de feitelijke invulling van het voorwerp en preciseert de draagwijdte ervan. De rechterlijke suggestiebevoegdheid wordt binnen het tweede deelonderwerp geëvalueerd. 
De impact van de openbare orde op het verbod voor de rechter om het voorwerp van de vordering te wijzigen, komt aan bod in het derde deelonderwerp.

Enkele ontwikkelingen in de rechtspraak van het Hof van Cassatie, in het bijzonder drie recente arresten, waren de aanzet van uw onderzoek, dat zowel geresulteerd heeft in uw doctoraatsstudie als in deze publicatie. Kunt u dat even toelichten?

Drie recente arresten hebben er de voorbije jaren toe geleid dat de rechtsleer aandacht kreeg voor het voorwerp van de vordering. Ze hebben niet alleen nieuwe discussies op gang gebracht, maar ook duidelijk gemaakt dat het bepalen van de precieze draagwijdte van het verbod voor de rechter om het voorwerp van de vordering te wijzigen (het zogenaamde ultra petita-verbod) allesbehalve eenvoudig is.
Elk van deze arresten belicht een ander facet van dat verbod.

In het arrest Alfa van 14 december 2017 gaf het Hof van Cassatie voor het eerst uitdrukkelijk een feitelijke definitie aan het voorwerp van de vordering. Het Hof overwoog dat het voorwerp het feitelijke resultaat is dat de eiser met zijn vordering beoogt. Wanneer de rechter, die gevat wordt door een vordering tot vergoeding van de schade ingevolge een niet-verworven voordeel of een geleden nadeel, een vergoeding toekent voor het verlies van een kans om dat voordeel te verwerven of dit nadeel te vermijden, wijzigt hij volgens het Hof het voorwerp niet. De door de eiser aangevoerde juridische kwalificatie maakt – anders dan bij een juridische invulling van het voorwerp – geen deel uit van het voorwerp. Kent de rechter het voorwerp toe met een juridische omschrijving die afwijkt van de omschrijving van de eiser, dan schendt hij het ultra petita-verbod niet. 

Het arrest Peugeot van 10 februari 2022 introduceerde de zogenaamde suggestiebevoegdheid. Deze bevoegdheid laat de rechter toe om een partij te suggereren een vordering in te stellen of het voorwerp van haar vordering aan te passen. In Peugeot overwoog het Hof dat de rechter de mogelijkheid heeft om partijen uit te nodigen standpunt in te nemen over niet-gevorderde restitutie en in voorkomend geval een vordering in dat verband in te stellen. 

Het derde arrest heeft betrekking op het verband tussen de openbare orde en het ultra petita-verbod. 
In zijn arrest Kelts van 4 september 2020 aanvaardt het Hof dat de rechter het voorwerp van de vordering wijzigt in het belang van de openbare orde. Het Hof overwoog dat de rechter die ambtshalve een absolute nietigheidsgrond opwerpt – na heropening van het debat – de overeenkomst nietig mag verklaren en zelfs de restitutie mag bevelen van wat krachtens de overeenkomst werd verkregen, ook al vorderde geen van de partijen de nietigverklaring van de overeenkomst.

De arresten Alfa, Peugeot en Kelts lagen dus aan de basis van de centrale onderzoeksvraag, die als volgt geformuleerd wordt: “Wat is de aangewezen bewegingsruimte van de rechter ten aanzien van het voorwerp van de vordering met betrekking tot de feitelijke invulling ervan, de suggestiebevoegdheid en de openbare orde?”. Hoe heeft u dit concreet uitgewerkt?

In zijn arresten Alfa, Peugeot en Kelts kent het Hof van Cassatie een grotere rol toe aan de rechter. 
Deze arresten vormen een illustratie van de ontwikkeling in het procesrecht naar een steeds actievere rechter. Het eerste deel leidt het onderzoek in door deze evolutie te plaatsen in een bredere maatschappelijke en juridische context. Een grotere rol voor de rechter perkt het toepassingsgebied van het beschikkingsbeginsel in. Ook de evolutie die dit beginsel heeft ondergaan wordt toegelicht in het eerste deel. Het ultra petita-verbod vormt immers de harde kern van het beschikkingsbeginsel. 

Na het schetsen van de bredere context van het onderzoek wordt in het tweede en derde deel ingegaan op de drie deelonderwerpen van de centrale onderzoeksvraag. Elk deelonderwerp wordt op een andere manier benaderd.

Kunt u de drie deelonderwerpen, dus de ‘feitelijke invulling’, de ‘suggestiebevoegdheid’ en de ‘openbare orde’ iets nader verduidelijken?

De feitelijke invulling

Het arrest Alfa vormt het uitgangspunt van het eerste deelonderwerp. Dit deelonderwerp onderzoekt hoe de feitelijke invulling van het voorwerp van de vordering tot stand komt. In dit arrest omschrijft het Hof van Cassatie het voorwerp van de vordering als het feitelijke resultaat dat de eiser met zijn vordering nastreeft. Zo geeft het Hof een feitelijke invulling aan het voorwerp, terwijl het voorheen koos voor een juridische invulling. De overgang van een juridische naar een feitelijke benadering kan niet los worden gezien van het oorzaakbegrip. Vanaf eind jaren zestig worden de ontwikkelingen van beide begrippen in zowel de rechtsleer als de cassatierechtspraak op een geïntegreerde manier geanalyseerd. Voor een beter begrip van de Belgische evolutie is een blik op het Franse recht verhelderend. De Franse rechtsgeleerde Motulsky is immers de grondlegger van het onderscheid tussen feit en recht. Hij oefende een belangrijke invloed uit op de Franse wetgever in 1976 en het door hem gemaakte onderscheid is nog steeds terug te vinden in de inleidende bepalingen van de Franse Code de procédure civile.

Vervolgens wordt onderzocht of de eiser zich in zijn gedinginleidende akte en conclusies mag beperken tot het vorderen van een feitelijk resultaat, zonder juridische kwalificatie. Tevens wordt nagegaan of deze feitelijke invulling van het voorwerp coherent is met de invulling van datzelfde begrip binnen andere procesrechtelijke concepten, zoals het gezag van het rechterlijk gewijsde, de beoordeling van de bevoegdheid en de aanhangigheid.

Daarna wordt de draagwijdte van de feitelijke invulling onderzocht. In dit verband rijst de vraag naar de impact van deze invulling op het verbod voor de rechter om het voorwerp van de vordering te wijzigen. De invloed van de feitelijke invulling op een vordering tot betalen van een geldsom wordt geanalyseerd. Bij het verbod voor de rechter om iets anders toe te kennen dan gevorderd, wordt een uitstap naar het Franse recht gemaakt. Dit rechtstelsel voorziet immers in twee verzachtingen op het ultra petita-verbod. De verenigbaarheid van deze verzachtingen met de feitelijke invulling van het voorwerp wordt onderzocht. Of het wenselijk is dat het Belgische recht deze versoepelingen overneemt, wordt nagegaan.

Ten slotte gaat het onderzoek in op de gepaste omvang van de herkwalificatieplicht van de rechter. Rust er een herkwalificatieplicht op de rechter, dan mag hij zich niet beperken tot het afwijzen van de vordering op de aangevoerde rechtsgrond. Hij moet dan ambtshalve een rechtsgrond opwerpen die dienstig zou kunnen zijn voor de toekenning van het voorwerp. De herkwalificatieplicht beïnvloedt niet alleen de opdracht van de rechter, maar ook het verdere procesverloop. De rechter moet immers het recht van verdediging respecteren. Tussen het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en het beginsel van proceseconomie ontstaat zo een spanningsveld.

Suggestiebevoegdheid

Het arrest Peugeot vormt het vertrekpunt voor het tweede deelonderwerp, waarin de suggestiebevoegdheid van de rechter werd onderzocht. In dit recente arrest creëert het Hof van Cassatie de suggestiebevoegdheid met betrekking tot de restitutie. In het licht van dit arrest rijst de vraag of het Hof deze koers in de toekomst zal bevestigen en in welke mate deze suggestiebevoegdheid verder kan worden veralgemeend. Het onderzoek beoordeelt daarom of, en onder welke voorwaarden, een veralgemeende suggestiebevoegdheid verenigbaar is met het Belgische procesrecht.​ Bij deze beoordeling staan vier fundamentele procesrechtelijke beginselen centraal: het beschikkingsbeginsel, het beginsel van de rechterlijke onpartijdigheid, het beginsel van de gelijkheid onder de rechtzoekenden en het beginsel van de proceseconomie. Op basis van deze evaluatie werden twee voorstellen uitgewerkt. 
Deze voorstellen zijn richtlijnen om de suggestiebevoegdheid af te bakenen. 

Openbare orde

In het derde en laatste deelonderwerp wordt onderzocht of de openbare orde een rechtvaardiging vormt voor de rechter om het voorwerp van de vordering ambtshalve te wijzigen. 
In zijn arrest Kelts beantwoordt het Hof van Cassatie deze vraag bevestigend. Vervolgens wordt nagegaan hoe dit arrest zich verhoudt tot de eerdere en latere rechtspraak van het Hof, evenals tot de standpunten in de rechtsleer. Daarna wordt onderzocht welke procedurele bezwaren zich kunnen voordoen wanneer de rechter, uit overwegingen van openbare orde, niet-gevorderde zaken toekent. Daarbij worden de onderscheiden opdrachten van de rechter en het Openbaar Ministerie bij het beschermen van de openbare orde geanalyseerd en scherp gesteld en als oplossing aangereikt.

Over het boek

De rechter en het voorwerp van de vordering

Elise Dauw

Februari 2026
ISBN 9789400020122


Onze klanten raadpleegden ook:

Burgerlijk | November 2025

Standard Business Contracts; een praktische leidraad voor de jurist | Dirk Deschrijver, Marc Taeymans en Olivier Vanden Berghe

Larcier-Intersentia interviewde de auteurs Dirk Deschrijver, Marc Taeymans en Olivier Vanden Berghe naar aanleiding van de nieuwe vijfde editie van hun publicatie Standard Business Contracts. In dit interview wordt de inhoud uit het boek uitvoerig besproken enz. Lees meer.

Burgerlijk | November 2025

Renovatie en vastgoed: een grondige analyse, met aandacht voor de hertekening door de Vlaamse regelgever | Dorothy Gruyaert en Vincent Sagaert

Larcier-Intersentia interviewde de editors, de hoogleraren Dorothy Gruyaert en Vincent Sagaert, naar aanleiding van deze uitgave. In dit interview worden de verschillende thema's en bijdragen uit het boek uitvoerig besproken enz. Lees meer.

Volg ons:     

              

Ons gratis tijdschrift:

· Emile & Ferdinand

Blijf op de hoogte met onze nieuwsbrieven!